Cognitieve Gedragstherapie voor:
• zwak zelfbeeld en negativisme
• angst, depressie en fobieën
• relatie- en werkproblemen
• persoonlijkheidsproblemen
• dwang en eetstoornissen
• stress, burnout en CVS
Informatiesite over Narcisme



CCGT

Psychologie Woordenboek

Het encyclopedisch psychologie woordenboek (hier als voorbeeld met +/- 300 lemma's) is nu ook met ruim 4500 lemma's in boekvorm verkrijgbaar. Klik hier voor meer informatie.

Recensie 2008: Tijdschrift voor Psychiatrie
Nu te bestellen bij:  Garant Uitgevers N.V.

    Met Alt+F verder zoeken

[ A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O| P | R | S | T | V | W | Z ]


- A -
aangeleerde hulpeloosheid (learned helplessness)
Een toestand waarin men als gevolg van vergeefse pogingen in het verleden om greep te krijgen op een situatie, er in een nieuwe, gemakkelijk te beïnvloeden situatie niet meer toe komt, deze toestand daadwerkelijk ook onder controle te krijgen. De psycholoog M.E.P. Seligman deed uitgebreid onderzoek naar dit fenomeen. Volgens Seligman wordt deze houding aangeleerd tijdens de blootstelling aan aversieve en onbeheersbare gebeurtenissen in een situatie waaruit men geen uitweg kan vinden. Hij deed onder andere proeven met honden, waarbij hij de vloer van de hondenkooi onder stroom zette. Bepaalde honden bleken in staat om ver een hek te springen en de dans letterlijk en figuurlijk te ontspringen. Echter andere honden ondergingen de pijn 'passief' omdat zij niet konden vluchten. Toen ook deze honden de mogelijkheid kregen om te kunnen vluchten deden zij dit niet, omdat ze kennelijk geleerd hadden hulpeloos te zijn. Bij de mens zien we aangeleerde hulpeloosheid onder andere bij psychiatrische stoornissen. Waarschijnlijk speelt aangeleerde hulpeloosheid ook een rol in het leren van normaal juist wel beheersbare situaties.

ABC-model (~)
CCGT Een cognitief therapiemodel uit de Rationeel-Emotieve Therapie (RET). Het model is omstreeks 1955 ontwikkeld door de Amerikaanse psycholoog Albert Ellis (zie foto). Het model gaat er vanuit dat mensen hun omgeving ervaren in de volgorde van een Activerende gebeurtenis (A), de Betekenisgeving (B) van deze gebeurtenis en de Consequentie (C) die deze gebeurtenis heeft. Neurotische personen ervaren de consequentie (C) vaak zichtbaar met frustraties en emoties. De activerende gebeurtenis (A) lijkt de veroorzaker, terwijl de betekenisgeving (B) de fundamentele verbinding is naar C - en samenhangt met o.a. vooronderstellingen, disfunctionele en automatische gedachten, die een patiënt als fundamentele schema's in zijn leven heeft eigen gemaakt - en de problemen bij C in belangrijke mate veroorzaken en door B in stand worden gehouden. Het is de taak van de RET- of cognitief therapeut de betekenisgeving (B) in kaart te brengen, door te werken met de patiënt zodat de verbinding B, tussen A en C, zijn kracht verliest waardoor de patiënt minder frustraties en emoties ervaart en zich psychisch gezonder gaat gedragen.

accommodatie (accommodation)
Vorm van aanpassing door een levend organisme als reactie op een externe stimuli. Deze aanpassing kan bij mensen van organische of psychische aard zijn en is van groot belang om zich in de steeds veranderlijke omgeving te handhaven.
Hier enkele voorbeelden:
1. Volgens Jean Piaget (1971) is accommodatie het aanpassen van het cognitief schema zodat het strookt met de nieuwe informatie, als een bestaand schema geconfronteerd wordt met informatie die niet overeenkomt met de reeds aanwezige kennis in het schema. Als de nieuwe informatie wordt vervormd, zodat ze alsnog in het bestaande schema past wordt dit door Piaget 'assimilatie' genoemd.
2. Bij elk regelmechanisme met terugkoppeling (feedback) in de natuur of techniek is sprake van aanpassen op de externe omstandigheden. Regelen en aanpassen (of accommoderen) zijn hierbij onverbrekelijk met elkaar verbonden.
3. Om goed te kunnen zien en het oog aan te passen op lichtprojectiescherpte en de hoeveelheid beschikbaar licht kan het oog bijvoorbeeld accommoderen door lenscorrectie en pupilgrootteverandering.
4. In organisatie en in groepen zullen mensen zich in meer of mindere mate moeten aanpassen aan het gedrag van anderen. Ook deze aanpassing is een vorm van accommodatie.

adaptatie (adaptation)

Letterlijk: aanpassing. Het woord kent verschillende betekenissen.
1. Van adaptatie is bijvoorbeeld sprake indien het feitelijk uitgeoefend beroep niet overeenkomt met het eerdere, maar wel met de uiteindelijke beroepswens.
2. Als belangrijk begrip in de cognitieve ontwikkelingstheorie van Piaget. Adaptatie bestond volgens hem uit de begrippen assimilatie
en accommodatie.
3. Als een zintuigcel bij voortduring blootstaat aan sterke stimulatie (naar intensiteit en frequentie) neemt de reactiesnelheid van de cellen af. Na weer verlaging van stimulatie, vindt door de zintuigcel juist overreactie plaats, door verandering van de gevoeligheidsdrempel.
4. Bij de evolutie van de mens wordt adaptatie ook gebruikt voor de verandering van erfelijke eigenschappen, die ontstaat onder druk van de eisen van de mens met zijn levensomgeving.
5. Over biologische adaptatie spreekt men als het menselijk lichaam zich aanpast aan direct merkbare milieu-invloeden, zoals bijvoorbeeld bij een lager zuurstofgehalte en het verhogen van het aantal rode bloedcellen in het lichaam, als iemand zich op grote hoogte bevindt.

affect bridging (~)

Term uit de psychotherapie. Hiermee wordt bedoeld dat bij een patiënt de meest nare momenten uit de herinnering (zoals naar aanleiding van een trauma) wordt gezocht om als 'target' te dienen voor de therapie, maar dat er ongewild andere affectief met het target verbonden herinneringen worden geactiveerd.

afleren (disteaching)

We spreken over afleren als dat wat eerder geleerd is of in aanleg bestaat, wordt tegengegaan of geneutraliseerd. Het kan daarbij gaan om alle vormen van leren maar vaak gaat het om geleerd gedrag. Als het af te leren gedrag voortkomt uit klassiek of operant conditioneren dan is deconditioneren door bijvoorbeeld gedragstherapie vaak noodzakelijk zijn. Dit blijkt in de praktijk, vooral als er veel contra-indicaties zijn zoals bij lang aan drugs en alcohol verslaafden, het afleren van het verslavingsgedrag een zeer moeilijke opgave.

angst (anxiety)

Angst ervaren we als een anticiperend gevoel van onbehagen of als schrikangst welke aanhoudt ook als er geen directe dreiging is. Normale angst is nuttig en noodzakelijk, zonder angst kan men niet goed functioneren. Angst stelt een mens in staat snel te reageren op een mogelijk bedreigende situatie. Angst heeft een noodzakelijk fysiologische actie-reactie overlevingsfunctie
In tegenstelling tot vrees, wat men kan zien als een realistische reactie op echt gevaar, staat angst in het algemeen voor een onbewuste dreiging. Fysiologisch symptomen bij angst zijn verhoogde hartslag en bloeddruk, versnelde ademhaling, transpiratie, verhoogde spierspanning, droge mond en diarree. Freud stelde dat angst voorkomt uit onderdrukte, vastzittende seksuele energie en kwam later met het inzicht dat angst als gevaarsignaal dient om het ego te waarschuwen voor te grote stimulatie waardoor verdrongen gevoelens ontstaan. Angststoornissen bestaan als voor een ieder, als zichtbare angst maar ook als fobieën en andere vormen waar een afweermechanisme in stelling is gebracht om als dekmantel te dienen voor de lijder naar anderen toe. Bij algemene angst geven de individuele ervaringen en lange periodes met angst geen verklaring voor een oorzaak, zo'n voorwaarde kan free-floating genoemd worden omdat de angst niet aan een bepaalde stimulus gekoppeld is. Paniekstoornissen zijn plotseling optredende angstaanvallen met symptomen als hartkloppingen, ademnood, zweten, enzovoort. De persoon met een fobische stoornis kan aangeven waarvoor hij angst heeft zoals kleine ruimten, hoogten en grote drukte met mensen, en leidt tot intense 'overdreven' angstgevoelens en worden daarom zoveel mogelijk door de fobische persoon ontweken. Obsessief-compulsieve stroornissen worden gekarakteriseerd door dwanghandelingen die het doen en laten van de persoon in extreme mate bepalen. Extreme angst ontstaat als de persoon de dwanghandeling niet uitvoert en dwanggedachte ontkent. Een posttraumatische stressstoornis (PTSS) ontstaat als een persoon na aanleiding van een zeer traumatische ervaring zoals een overval, verkrachting, enzovoorts, steeds terugkerende dromen, flashbacks of paniekaanvallen krijgt.

angstreactie (anxiety response)

Kentekenen en gevoelens van sterke vrees zonder bewuste oorzaak.

applied relaxation (~)

Hierbij leert de patiënt om de eerste signalen van angst te herkennen en om er vervolgens mee om te gaan in plaats van zich door de angst te laten overweldigen (L.G. Öst,1986).

applied tension (~)

Ook ' toegepaste aanspanning'. Hierbij leert de patiënt eerst kleine signalen van bloeddrukverlaging te herkennen en vervolgens hierop te reageren door de spieren aan te spannen, teneinde de bloeddruk te verhogen. Therapie die onder andere bij behandeling van een bloedfobie wordt toegepast (L.G. Öst & U. Sterner,1987).

approach-avoidance conflict (~)

Als het drukken op het pedaaltje voor een proefdier in een Skinnerbox de ene keer voedsel oplevert en de andere keer een stroomstoot, ontstaat een aarzeling tussen toenadering en vermijding. Het proefdier zal enerzijds geneigd zijn op het pedaaltje te drukken (het voedsel is aangenaam) en anderzijds uit de buurt van het pedaaltje willen blijven (de stroomstoot is onaangenaam). Vele auteurs beschouwen dergelijk conflictueuze toestanden als de bron voor de ontwikkeling van pathologisch gedrag.

assimilatie (assimilation)

1. Volgens Jean Piaget en de cognitieve psychologie wordt hieronder verstaan: nieuwe informatie vervormen, zodat het alsnog past in het bestaande cognitief schema.
2. Het volledig opgaan in een ander sociaal milieu, groep of volk.
3. Omzetten van grondstoffen tot verbindingen met een hogere energie-inhoud, die een bestandsdeel uitmaken van of een functie vervullen in het levend organisme (anabolisme).

assimilatie-contrasttheorie (assimilation contrast theory)

Combinatie van de cognitieve dissonantietheorie en de contrasttheorie wordt de assimilatie-contrasttheorie genoemd (D.V. Day & T. Landon, 1977). Deze theorie voorspelt dat in het geval van gemiddelde niveaus van discrepantie het verschil van perceptie met verwachtingen (volgens de cognitieve dissonantietheorie) zal worden geassimileerd en bij hoge niveaus van discrepantie het waargenomen verschil (volgens de contrasttheorie) zal worden vergroot.

associatie (association)

Associatie is een belangrijk principe in de psychologie. Van oorsprong hield associatie nauw verband met herinneren of het geheugen. Het principe houdt in dat als men zich een gebeurtenis of ervaring uit het verleden herinnerd er verband gelegd wordt met andere soortgelijke gebeurtenissen en ervaringen. Door de tijd heen werd associatie steeds meer een algemeen begrip voor alle mentale ervaringen naast de duidelijk zintuiglijke waarnemingen, en het associationisme werd een theoretisch begrip dat de hele psychologie omvatte. Ofschoon de Griekse filosoof Aristoteles drie vormen van associaties had voorgesteld zoals gelijkheid, contrast, aansluiting en hiermee zorgde voor een veel te brede betekenis en tegenstelling, wordt het associationisme voornamelijk als een Britse aangelegenheid gezien, zoals het eerste geschrift uit 1690, "Association of ideas" van John Locke (zie foto). David Hume beweerde in "A Treatise of Human Nature" (1739) dat de belangrijkste vormen van associatie zijn: overeenkomstigheid, de opvolging van tijd op plaats, door oorzaak en gevolg. Na Hume was de belangrijkste exponent van het associationisme David Hartley en in de achttiende eeuw waren dit John Stuart Mill, Alexander Bain, en in de negentiende eeuw Herbert Spencer. Er was veel kritiek en onenigheid over zowel het aantal als de naamgeving van de diverse vormen van associaties. Over het algemeen kan men stellen dat de associationisten ideeën hadden die uitgingen van zintuigervaringen, en verder duidelijk mechanistisch en atomistisch van opzet. Kennis ontstond volgens hen door één of meer zintuiglijke ervaringen. Door het herhalen van mentale ervaringen in de tijd, werd de zintuiglijke informatie met elkaar verbonden en her beleefd of opgeroepen als zinvolle voorstellingen en concepten. Alle menselijke kennis is opgebouwd uit gescheiden, eenvoudige en speciale ervaringen en is te analyseren zonder dat men deze ervaringen nog langer ondergaat. In 1880 begon F.H. Bradley, de psycholoog James Ward en G.F. Stout, in Engeland een sterke oppositie tegen het associationisme. Zij ontkenden dat kennis alleen ontstond door de zintuigen en stelde dat de doelgerichtheid een integraal onderdeel is van alle mentale activiteiten. William James een vooraanstaand Amerikaans psycholoog, beschreef in zijn werk "The Principles of Psychology" uit 1890, en verving de 'associaties van ideeën' door 'associaties van processen van de centrale zenuwcellen' door met elkaar samenvallende of onmiddellijke op elkaar volgende stimuli. In 1903 gebruikte de Russische fysioloog Ivan Pavlov zuivere objectieve methoden, bij wat toen associaties werd genoemd, en kwam tot een volledige en uitgebreide beoordeling van gedrag bij geconditioneerde en ongeconditioneerde reflexen. De conditionerings- of reflextheorie en vele andere gedragstheorieën die ontstonden werd een associatiepsychologie van het gedrag, waarin min of meer hetzelfde werd verondersteld als de eerdere associationisten en ook dit stond bloot aan een soortgelijke kritiek. Zo gold dit ook voor de in Amerika dominante stimulus-respons psychologie die zich ontwikkelde in verschillende vormen. Naarmate onderzoekers die een vast geloof hadden in associatie als een verklaringsmodel en meer en meer onderzoek deden ontstonden ook steeds meer problemen. De Amerikaanse psycholoog Edward L. Thorndike bijvoorbeeld toonde aan dat meer herhalingen door oefening weinig of niets doet om de verbinding tussen de stimulus en respons sterker te maken. Hij besefte het grote belang van de invloed van oefening en zag deze invloed voornamelijk in termen van lust en onlust, zoals beschreven in zijn werk: "The Fundamental of Learning"(1932). Andere onderzoekers onderstreepten het belang van de directe invloed van resultaatkennis, en weer anderen zoals de Amerikaan Clark Hull beschreef in "Principle of Behavior" (1943) een complete leertheorie op basis van behoeftereductie, of de behoeftesterkte waardoor de stimulus en respons onder verschillende empirische condities met elkaar werden verbonden. Voor een ieder van deze psychologen gold dat ze niet het associatieprincipe verworpen hadden maar meer streefden naar een radicale herformulering van het associatieprincipe. Anderen, zoals onder andere de Gestaltpsychologen, vroegen om het associatieprincipe te verwerpen als het gaat om hogere mentale processen bij de mens. Associationistische theorieën hebben zoals alle, algemeen verklarende psychologische theorieën, veel kritiek te verduren gekregen, sommige waren zeer terecht maar soms ook onterecht. De meeste psychologen zijn het er ook tegenwoordig over eens dat het begrip associatie een belangrijke en effectief principe is, werkzaam bij alle leermomenten door het steeds weer hebben van nieuwe ervaringen.

attributie (attribution)

Letterlijk: toeschrijving. De toegekende, onderliggende oorzaken van het eigen gedrag of dat van anderen. Bijvoorbeeld: wanneer iemand zijn trouwdag vergeet, kan dat toegeschreven worden aan een gebrek aan liefde of aan verstrooidheid. Deze uiteenlopende attributies zorgen voor totaal verschillende reacties op in principe hetzelfde gedrag.

autogene training (autogenous training)

De grondlegger van autogene training is de Berlijnse neuropsycholoog J.H. Schultz (1884 - 1970), die tussen 1908 en 1912 de methode ontwikkelde tot zijn huidige vorm. In 1932 trad hij er mee naar buiten. Autogene training is een therapeutische ontspanningsmethode. De bedoeling is dat men zich door nauwkeurig omschreven oefeningen innerlijk steeds vrijer maakt en dieper in zichzelf afdaalt. Zodoende bereikt men dat het hele organisme van binnen uit wordt omgeschakeld. Dat maakt het mogelijk gezonde activiteiten te versterken en ongezonde te verminderen of helemaal te stoppen. Een ontspannen en kalme houding kan iemand die aan autogene training doet tot een tweede natuur worden.

aversietherapie (aversion therapy)

Deze therapie werd vroeger veel gebruikt in de behandeling van alcoholmisbruik. Bij aversietherapie koppelt de therapeut een aversieve stimulus (UCS) aan drinken van alcohol (CS) of aan visuele of geurrepresentatie van alcohol, met als doel een geconditioneerde aversie voor drinken op te roepen. Als aversieve stimulus maakt men meestal gebruik van elektrische schokken of van misselijkheid oproepende geuren. Coverte sensitisatie is een variant van deze techniek, waarbij iedere keer wanneer de patiënt zich voorstelt dat hij alcohol consumeert een imaginaire aversieve stimulus volgt (bijvoorbeeld een scène waarin de patiënt braakt).

aversieve conditionring (aversive conditioning)

Een prikkel bij conditioneren die pijn doet zoals een elektrische schok en angst veroorzaakt.

aversieve stimulus (aversive stimulus)

Een stimulus die negatief tot zeer negatief doorwerkt op het organisme en hierdoor vermindering of uitdoving van bepaald gedrag als gevolg kan hebben. Een voorbeeld is het medicijn disulfiram (Antabus) dat als aversieve stimulus werkt bij alcoholverslaving. Dit medicijn leidt bij inname van alcohol tot aversieve verschijnselen zoals rood en warm worden, hartkloppingen, benauwdheid, zweten misselijkheid en duizeligheid.


- B -
backward conditioning (~)

Wijze van conditionering in een laboratorium omgeving met proefdieren, die andersom is dan gewoonlijk in plaats van eerst de zoemer en dan het voedsel nu eerste het voedsel en dan de zoemer.

Bandura, Albert (~)

(Geb. 1925) Canadees psycholoog bekend om zijn sociale leertheorieën en wordt wel gezien als de vader van de cognitieve beweging binnen de psychologie.
Bandura studeerde in 1949-1952 af als psycholoog aan de universiteit British Columbia en kwam daar onder invloed het behaviorisme en zijn leertheorieën. In 1953 ging hij aan de Stanford Universiteit doceren, waar hij samen met Richard Walters in 1959 zijn eerste boek "Adolescent Aggression" publiceerde. Bandura ontwikkelde daarna het zogenaamde 'reciproke determinisme'. Een theorie die stelt dat de persoon en zijn omgeving elkaar wederzijds beïnvloeden en daarom beide van belang zijn. Dit in tegenstelling tot het behaviorisme, dat uitsluitend van de omgeving uitgaat. Later ging hij nog een stap verder en ging ervan uit dat mensen onder invloed zijn van drie fenomenen: de omgeving, iemands gedrag en zijn eigen psychologische of mentale processen. Deze mentale processen bestaan onder andere uit ons voorstellingsvermogen en de taal. Bandura deed honderden onderzoeken. Bekende empirische onderzoekingen zijn 'babydoll studies', waarin duidelijk naar voren kwam dat observationeel leren (of modeling) plaats vindt zonder dat hier een beloning tegenover staat; dit in tegenstelling tot wat de behavioristische theorieën stelden. Deze theorie van sociale modeling wordt wel de sociale leertheorie genoemd. Bandura deed verschillende variaties op het babydoll onderzoek en ontdekte bepaalde fasen in het sociale leerproces en noemde deze fasen: aandacht (attention), onthouden (retention), nadoen (reproduction) en motivatie (motivation), de laatste onder te verdelen in achteraf -, ingebeelde - en overgedragen bekrachtiging. Ook vond Bandura negatieve motivaties (zoals straffen) van belang voor het leerproces zo onderscheidde Bandura ook achteraf -, ingebeelde - en overgedragen bestraffing.
Bandura beschouwde daarnaast de eigen gedragscontrole (zelfregulatie) als een tweede facet van iemands persoonlijkheid. Hij onderscheidde hierbij drie onderdelen: zelfobservatie, beoordeling en zelfrespons, waarbij ook het zelfconcept (zelfvertrouwen) een belangrijke rol speelt bij zelfregulatie. Bandura onderscheidde drie reacties bij zelfbestraffing: compensatie, apathie en vluchtgedrag; zoals we dit ook terug zien bij de neurotische karakterbeschrijvingen van Adler en Horney. Bandura onderscheidde de volgende drie belangrijke onderdelen bij gedragscontrole en een zwak zelfconcept: realistische gedragsreflectie, realistische verwachtingen en het zorgen voor positieve zelfsturing. De voorgaande onderdelen van zelfregulatie worden onder andere gebruik in de 'self-control therapy' , een succesvolle therapie toegepast bij het veranderen van relatief simpele gewoonten zoals roken, te veel eten of foutief studeergedrag. Bandura is echter het meest bekend geworden door zijn 'modeling therapie', die uit gaat van de theorie dat als iemand met psychologische problemen een andere persoon ziet in dezelfde situatie met een veel effectiever gedragsresultaat als de persoon zelf, hij dit voorbeeldgedrag door modeling kan aanleren. Bandura is van grote invloed geweest op de verdere ontwikkeling van persoonlijkheidstheorieën, de sociale gedragstherapie en de cognitieve psychologie in het algemeen. Dit komt vooral ook door zijn heldere en gedragsmatige aanpak die de meeste mensen erg aanspreekt. Vanaf 1960 is de cognitieve revolutie gestart en Bandura heeft met zijn sociale en cognitieve leertheorieën, en zijn empirisch onderzoek hier een fundamentele bijdrage aan geleverd. Werken van Bandura zijn onder andere: "Social Foundations of Thought and Action" (1986), "Social Learning Theory" (1977), "Social Learning and Personality Development" (1963) en "Aggression: A Social Learning Analysis" (1973).

basishoudingen, Rogeriaans therapeut (basic attitudes, Rogerians therapist)

Volgens Carl Rogers, de grondlegger van de Cliënt Centered Therapie, zijn er drie basishoudingen van de therapeut die de Rogeriaanse therapeut kenmerken: 'De therapeut moet de cliënt onvoorwaardelijk accepteren, congruent en authentiek, en empatisch zijn'.

Beck, cognitieve model (Beck, cognitive model)

Aaron Beck's opvattingen hebben een grote invloed gehad op het empirisch onderzoek naar cognitieve modellen van de psychopathologie.
1. Zo formuleerde hij hypothesen over kenmerkende cognitieve processen en inhouden bij uiteenlopende vormen van psychopathologie. Bijvoorbeeld: informatieverwerking bij depressieven overheerst door interpretaties en verwachtingen van verlies, angst als interpretatie van gevaar. Beck (zie foto) heeft onder andere diverse vormen van cognitieve therapie ontworpen.
2. Niet irrationeel maar disfunctionele opvattingen, opvattingen die aanleiding geven tot onnodig veel emotionele en/of gedragsmatige problemen. Mensen met psychopathologische stoornissen maken kenmerkende logische en/of empirische fouten in hun redeneringen, waardoor ze onnodig veel lijden. Deze 'denkfouten' houden de stoornis in stand. Beck beschreef zijn theorie in termen van schema's.

behaviorisme (behaviourism)

Een invloedrijke Amerikaanse stroming binnen de psychologie die vooral opgang maakte in de periode voor de Tweede Wereldoorlog en met name door de invloedrijke behaviorist John. B. Watson (1878-1958). In het Behaviorisme streeft men naar een psychologie die het gedrag van dier en mens objectief meetbaar maakt en daardoor geschikt voor wetenschappelijke toetsing. De behavioristen waren fel gekant tegen het heersende Structuralisme binnen de psychologie. Het Structuralisme of bewustzijnspsychologie leende zich volgens hen niet voor wetenschappelijk toetsing, omdat het bewustzijn volgens hen een niet meetbaar fenomeen is en zij gingen er daarom vanuit dat gedragreacties (Respons) uitsluitend voorkomen uit een stimulus (S). De introspectieve wijze zoals die toegepast werd in de psychologie was voor hen onaanvaardbaar. Watson werd sterk beïnvloed door de Russen Pavlov (1849-1936), Sechenov (1829-1905) en Bechterev (1857-1927) en de Engelsen H. Spencer (1820-1903) en Lloyd Morgan (1852-1936), artsen en filosofen die zich uitgebreid bezig hadden gehouden met geconditioneerd en reflexologisch gedrag bij vooral dieren. Maar ook door zijn landgenoten Thorndike, Yerkes en K.S. Lashley zijn voor hem belangrijk geweest.
Het Behaviorisme werd ook sterk beïnvloed door de empirische wetenschappelijk aanpak in de exacte natuurwetenschappen. Dit was de reden dat men een voorkeur had voor experimenteel onderzoek, het toetsen van hypothesen en theorieën met vooral dieren. Het Behaviorisme werd in die tijd ook wel degenererend 'rattenpsychologie' genoemd.
Volgens Watson was het leren van de mens maatgevend, erfelijk eigenschappen waren volgens hem van ondergeschikt belang. Naast Watson waren er diverse andere psychologen die van groot belang geweest zijn voor het (Neo)Behaviorisme.
Zo was C.L. Hull (1884-1952) een groot theoreticus van het Behaviorisme. Hij ontwierp een groot aantal theorieën met diverse belangrijke begrippen zoals het begrip 'drive' (drijfveer) en probeerde de psychologie een meer wiskundig fundament te geven.
B.F. Skinner deed vele experimenten met onder andere duiven en kippen en ontwierp de beroemde Skinner Box, een grote box waarin dieren beloond werden voor hun leergedrag. Hij schreef ook een roman "Walden Two" genaamd. Dit boek ging over de 'ideale' levensvorm gebaseerd op de toepassing van het Behaviorisme.
E.C. Tolman (1886-1959) noemde zich een Behaviorist of beter 'Purpose Behaviorist' omdat hij speciale aandacht had voor het begrip 'doel'. Tolman was een van de eerste 'rattenpsychologen' en volgens hem was hèt doel: het leren van ratten. Tolman introduceerde het nieuwe begrip interveniërende variabelen en doelde hierbij op alles wat meespeelde tussen de stimulus en respons.
Van groot belang zijn ook de eerder genoemd Russische wetenschappers vooral Pavlov en Bekterev die eigenlijk de basis hebben gelegd voor het Behaviorisme, door hun onderzoek naar geconditioneerd leren in al zijn facetten. Pavlov heeft voor zijn wetenschappelijk verdiensten in 1904 de Nobelprijs gekregen en zijn onderzoek was voor die tijd van een ongekende betrouwbaarheid, precisie en geldigheid.
We kunnen samengevat stellen dat hoewel het Behaviorisme de mentale processen niet integreerde wat tegenwoordig als ondenkbaar wordt beschouwd, het Behaviorisme van groot belang is geweest voor de huidige psychologie als het gaat om de toepassing van leertheorieën, de wetenschappelijk aanpak, de empirische relevantie van onderzoek en het gebruik van methoden en technieken en de statische verwerking van onderzoeksgegevens.

Bekhterev, Vladimir (~)

(1857-1927) Russisch neurofysioloog en psychiater die de opbouw van de hersenen bestudeerde en geconditioneerde reflexen onderzocht. Bekhterev haalde zijn doctoraal in 1881 aan de Medical-Surgical Academy in St. Petersburg en studeerde daarna vier jaar in het buitenland. Hij keerde in 1885 terug naar Rusland om professor psychiatrie te worden aan de universiteit van Kazan, waar hij het volgende jaar het eerste experimentele psychologie laboratorium in Rusland stichtte. Hij werd in 1893 professor psychiatrie aan de Military Medical Academy in St. Petersburg en stichtte daar in 1907 een psychoneurologisch instituut, ofschoon hij in 1913 als professor zijn ontslag moest nemen. Hij werd in ere hersteld na de Russische Revolutie van 1917 en kreeg vanaf 1918 tot zijn dood een leerstoel bij de psychologie en reflexologieafdeling van de universiteit van Petrograd (voorheen St. Petersburg). Als concurrent van Ivan Pavlov, ontwikkelde Bekhterev onafhankelijk een theorie over geconditioneerde reflexen, en bestudeerde zowel aangeboren als aangeleerde reflexen in het laboratorium. Bekhterev’s meest vruchtbare werk was zijn onderzoek op het gebied van de hersenmorfologie en zijn originele beschrijving van verschillende zenuwziekten en symptomen. Hij ontdekte de 'superieure vestibule nucleus' (Bekhterev nucleus) en diverse andere voorheen onbekende hersenstructuren. Hij beschreef ook de verlamming van de ruggegraat (Bekhterev's ziekte), nieuwe vormen van wervelontsteking en diverse andere ziekten. Bekhterev startte in 1896 het "Nevrologichesky Vestnik" (Neurologisch Tijdschrift), het eerste tijdschrift over zenuwziekten. Hij had een voorkeur voor een zuivere objectieve benadering van gedragsstudies en had de overtuiging dat complex-gedrag verklaard kon worden door de studie van reflexen en beïnvloedde de groeiende behaviouristische beweging in de Verenigde Staten. Enkele van zijn belangrijke werken zijn "Conducting Paths in the Brain and Spinal Cord" (1889) en "Objective Psychology" (1907).

bekrachtigingsschema (reinforcement schema)

De wijze waarop de bekrachtiging (toedienen van een positieve stimulus) wordt aangeboden. Het is vooral de behaviorist B.F. Skinner geweest die door uitgebreid onderzoek te doen met dieren de diverse bekrachtigingsschema een plaats heeft gegeven in de leertheorie. Zo zijn er bijvoorbeeld vier partiële bekrachtigingschema's (schema's waarbij een respons slechts af en toe wordt bekrachtigd) zoals:
1. Fixed ratioschema (FR-schema). De bekrachtiging wordt steeds na een vast aantal responsen toegediend.
2. Fixed-intervalschema (FI-schema). Hierbij volgt de bekrachtiging na een juiste reactie op een zekere tijdstip.
3. Variable-ratioschema's (VR-schema's). Bekrachtiging volgt steeds op een verschillend aantal responsen
4. Variabel-intervalschema VI-schema). Bekrachtiging volgt steeds na het verloop van een verschillende tijdsperiode.
Uit de vele dierproefen constateerde hij dat het gedragspatroon van dieren verschilt naar gelang het type bekrachtiging schema's.

bekrachtiging, sociale (reinforcement, social)

A. Term uit de bekrachtigingstheorie van P.M. Lewinsohn (1974). Te weinig sociale bekrachtiging kan tot depressie leiden volgens het volgende overzicht:
1.1 De omgeving heeft weinig bekrachtigers beschikbaar,
1.2. in verband met persoonlijke kenmerken zijn er weinig potentieel bekrachtigende gebeurtenissen,
1.3. er zijn weinig vaardigheden beschikbaar die bekrachtiging uitlokken,
1.1,1.2 en 1.3 leiden tot een 'lage ratio van positieve bekrachtiging' en tot depressie.
2.1 De omgeving heeft veel aversieve gebeurtenissen,
2.2 in verband met persoonlijke kenmerken zijn veel gebeurtenissen aversief,
2.3 het gedrag van de persoon lokt aversieve reacties uit,
2.1, 2.2 en 2.3 leiden tot 'hoge ratio van aversieve ervaringen' en tot depressie.
B. Bij klassieke conditionering de procedure waarmee de ongeconditioneerde stimulus contingent verbonden wordt met de conditioneerde stimulus. Bij instrumentele conditionering de procedure waarmee de instrumentele respons contingent verbonden wordt met een bepaalde, verlangde uitkomst.

bekrachtiging, (niet-)contingente (reinforcement, (not)contingent)

De bekrachtiging wordt contingent genoemd als de beloning of straf daadwerkelijk het gevolg is van vertoond gedrag. Wanneer de bekrachtiger niets te maken heeft met het gedrag, is hij niet contingent. Men vermoedt dat niet-contingente bekrachtigers een rol spelen bij het ontstaan van bijgeloof. Een bekend voorbeeld hiervan is de voetballer die na het eten van een broodje kroket een goede wedstrijd speelt. Hij gaat dan geloven dat het broodje kroket de goede wedstrijd heeft veroorzaakt, en wil voortaan niet meer spelen zonder eerst deze snelle hap naar binnen gewerkt te hebben.

betekenismodellen (models of means)

Modellen die psychologische verschijnselen zoals motivatie verklaren vanuit de betekenis die de persoon geeft aan de situatie waarin hij zich bevindt. Ook wel cognitieve modellen genoemd.

bewustzijn (consciousness)

Bewustzijn is een kwaliteit van een situatie, waarin we duidelijk weet hebben van iets anders dat voor ons verschijnt, en in een of meerdere mate van het feit dat wij er weet van hebben. Dit komt tot uiting in de uitdrukking : 'Ik ben me bewust van de situatie.' Het werkwoord is 'zich bewustzijn'. Dit wil zeggen dat ik zo'n besef van de situatie heb dat ik erover kan spreken, dat ik alternatieven kan bedenken, dat ik op de situatie kan inspelen, deze tot op zekere hoogte kan veranderen, dat ik ook andere wijzen van ervaren en interpreteren van de situatie kan voorstellen. Het is een niet volledig onderworpen-zijn, een niet geheel opgaan in een harde situatie, een zijn. De factoren die op me inwerken zijn niet alle meer direct. Er is een ruimte waarin gehandeld kan worden, waarin geïnterpreteerd, gedacht en gesproken kan worden. Deze ruimte geeft een zekere vrijheid van de situatie. 'Het bewustzijn' is dan de ruimte of het licht waarin vanuit een eerste persoon, de ik-pool, iets (de objectpool) verschijnt. Deze eerste persoon heeft dus een besef van iets, zijn zijnswijze is een bewust-zijn. Bewustzijn als de kwaliteit van een situatie (zie begin) is dus de kwaliteit van de eigen, eerste-persoonssituatie en wel de kwaliteit van ruimte en licht waarin iets waarneembaar wordt. Van hieruit zijn er vele andere terreinen te formuleren waarop bewustzijn een plaats kan hebben. Fenomenologisch kunnen we kwaliteiten van bewustzijn gaan variëren en zien wat daar uit komt. Taalanalytisch gaat het om de betekenissen van het begrip 'bewustzijn' te beschrijven. In de loop van het college zullen de verschillende paragrafen worden aangevuld.
We kunnen de volgende vormen van 'bewustzijn' onderscheiden:
1) bewustzijn van, weten, kennen; tegenover niet-bewust-zijn, niet weten
2) moreel bewustzijn van: het geweten; moreel oordelen
3) meer of minder reflexief zich bewustzijn van zichzelf; naast zich bewustzijn van de (dingen) van de wereld
4) als innerlijke ervaarbare sfeer van werkelijkheid, mentale bewustzijnsveld; daarin de bewustzijnsverschijnselen
5) meer en minder gebonden aan de eigen persoon
6) subject (antropologisch, transcendentaal filosofisch); tegenover object
7) het bewuste als onderdeel van de structuur van psyche; naast het onbewuste (psychoanalyse)
8) individueel, maar ook gezamenlijk, gemeenschappelijk, maatschappelijk (Marx' klassenbewustzijn, bovenbouw)
9) algemeen menselijk verschijnsel (wijsgerig antropologisch)
10) metafysisch gegeven (Duitse idealisme); kosmisch bewustzijn (spiritualisme)
(Dr. Douwe Tiemersma, Filosofie van het bewustzijn, 1999-2000)

bifasische respons (biphasic response)

Dit houdt in dat er in de eerste minuten na confrontatie met een bloedige stimulus een korte verhoging van bloeddruk en hartslag zal optreden (verhoogde arousal), gevolgd door een drastische verlaging van bloeddruk en hartslag (verlaagde arousal), hetgeen flauwvallen tot gevolg kan hebben.

Binswanger, Ludwig (~)

(1881-1966) Switzers psychiater (zie foto) en schrijver die het principe van de existentiële fenomenologie, speciaal zoals vertolkt door Martin Heidegger, toepaste op de psychotherapie. Bij het stellen van een psychiatrische diagnose vond hij dat psychische stoornissen (bijvoorbeeld manisch-, zonderling- en gekunseld gedrag) veroorzaakt werden door het gestoorde zelfbeeld van de patiënt en zijn ongepaste relaties met zijn omgeving. Hij ontwierp een manier van psychoanalyse om de patiënt zijn zelfbewustzijn te laten ontwikkelen als onderdeel van zijn totale persoonlijkheid, het uniek van zijn existentie en de communicatie met de wereld om zich heen. Eén van zijn belangrijke werken is "Grundformen und Erkenntnis menschlichen Daseins" (1962) en "Erinnerung an Sigmund Freud" (1956).

borderline persoonlijkheidsstoornis (borderline personality disorder)

In de DSM IV wordt de borderline persoonlijkheidsstoornis beschreven als iemand met een voortdurend aanwezig patroon van instabiliteit in tussenmenselijk relaties, zelfbeeld, affectten en controle over impulsen. Dit begint in de vroege volwassenheid en komt tot uiting in diverse situaties zoals blijkt uit ten minste vijf van de volgende criteria:
1. krampachtige pogingen om feitelijke of imaginaire verlating te voorkomen (reken hiertoe niet het suïcidaal of automutilatief gedrag onder 5);
2. een patroon van instabiele en intense relaties gekenmerkt door wisselingen tussen de extremen van idealisatie en devaluatie;
3. identiteitsstoornissen: aanhoudend en opvallend gestoord, vervormd of instabiel zelfbeeld of zelfgevoel;
4. impulsiviteit op ten minste twee gebieden die potentieel schadelijk zijn voor de persoon zelf. Voorbeelden: geld verkwisten, seks, misbruik van middelen, roekeloos autorijden, vraatzucht (suïcidaal of automutilatief gedrag onder 5 wordt hier buitengesloten);
5. terugkerende suïcidale gedragingen, gebaren, dreigingen of automutilatief gedrag;
6. affectlabiliteit als gevolg van een opvallend reactiviteit van de stemming. Bijvoorbeeld: intense episodische dysforie, geïrriteerdheid of angst die meestal enkele uren duurt en zelden langer dan een paar dagen;
7. chronische gevoelens van leegte;
8. onaangepaste, intense woede of gebrek aan beheersing van woede. Voorbeelden: frequente driftbuien, constante woede of herhaalde vechtpartijen;
9. voorbijgaande, aan stress gerelateerde paranoïde ideatie of ernstige dissociatieve symptomen.
(DSM-IV; APA,1994)

bottom-up- en top-down-verwerking van informatie (bottom-up & top-down process of information)

Bottom-up informatieverwerking hangt samen met cognitieve activiteiten beginnend met 'eenvoudige' zintuiglijke informatie die verder verwerkt wordt door complexere denkprocessen. Top-down informatieverwerking hangt samen met cognitieve informatie die gestuurd wordt door bestaande kennis en verwachtingen.

bottom-up benadering leerproces (data driven process)

Hierbij gaat men ervan uit dat de lagere ordeprocessen de basis vormen voor de hogere ordeprocessen en dat later optredende processen in een sequentie pas kunnen optreden als de eerdere afgerond zijn. Zo moet het decoderen zijn afgerond voor het begrijpen als proces kan beginnen.

bounded rationality (~)

Hierbij gaat men ervan uit dat mensen liever automatisch en suboptimaal reageren, dan dat ze zich eindeloos en meestal onnodig uitputten voor het vinden van de werkelijk beste oplossing (H. Simon,1957).


- C -

central executive (~)

Neurologische functie die men nodig heeft in weerbarstige omstandigheden waar snelle oplossingen en eerdere routines niet helpen. De centrale executieve functies worden vaak in verband gebracht met de frontaalkwabben, met name de prefrontale hersengebieden, dat wil zeggen de frontale hersenschors met uitzondering van de motorische en premotorische schorsgebieden. Bij mensen met prefrontale letsels zouden planning- en regulatiestoornissen zich manifesteren in psychologische inertie: 'Weinig eigen initiatief, maar als een gedrag één keer op gang is, kan het moeilijk gestopt worden'.

chunking (~)

Een term voor een specifieke wijze van informatieverwerking voor het eerst beschreven door George Miller. Als men verschillende informatie eenheden zoals een willekeurige rij getallen is dat vaak moeilijk. Als men echter deze rij getallen in een betekenisvolle volgorde plaats wordt de rij getallen wel goed onthouden. Dit hangt ten nauwste samen met de beperkte informatie die in het kortetermijngeheugen kan worden opgeslagen.

cognitie (cognition)

Cognitie is een ruim begrip voor denken en waarnemen, dus gedragingen die ofwel tot kennisverwerving leiden of voor het gebruik van kennis nodig zijn. Het is ook de ontwikkeling van denken en kennen, cognitie zorgt ervoor dat iedereen op zijn manier de wereld organiseert. Onder cognitie worden ook processen van denken en waarnemen verstaan waardoor kennis wordt opgeslagen en kan worden gereproduceerd of toegepast. Het is ook het geheel van activiteiten, waardoor het individu informatie vanuit zijn omgeving opneemt, verwerkt en toepast. Cognitie is een integrale term voor kenvermogen
De term cognitief verwijst naar vaardigheden als: onthouden, vergelijken, categoriseren, ruimtelijk oriëntatie, abstraheren, enzovoorts. Bij het meeste wat mensen doen verwerken ze met deze vaardigheden informatie uit de sociale context. Cognitieve vaardigheden zijn dan ook vrijwel per definitie onderdeel c.q. voorwaarden voor andere (functionele, sociale, emotionele, affectieve en communicatieve) vaardigheden. Onder de term 'cognitieve vaardigheden' gaan twee samenhangende aspecten schuil: de cognitieve structuur van een individu, als organisatie van verschillende denkmiddelen. Vergelijkend gedrag kan bijvoorbeeld opgevat worden als cognitieve structuur. Deze structuur bestaat uit verschillende denkmiddelen zoals: zorgvuldig opnemen van informatie, informatie interpreteren volgens een aantal parameters, zoeken naar gelijkenissen of verschillen op die parameters, conclusies trekken enzovoort. Als mensen denkmiddelen goed kunnen gebruiken in een geïntegreerd geheel zullen zij altijd teruggrijpen naar die cognitieve structuur. Het wordt een spontane, automatische reactie; een onderdeel van het gedragsrepertoire. Een nieuwe cognitieve structuur komt vervolgens tot uiting in alles wat een persoon in kwestie doet. In de dagelijkse praktijk worden zaken bijvoorbeeld spontaan aan elkaar gerelateerd door nieuw vergelijkend gedrag. Vanaf het moment dat de cognitieve structuur een wezenlijk onderdeel vormt van het gedragsrepertoire is er volgens R. Feuerstein sprake van een structurele verandering (B.W. Coenen, 1998).

cognitiedagboek (cognition diary)

Dit is een dagboek die door de cliënt, in cognitieve gedragtherapie, dagelijks wordt bijgehouden en waarin de cliënt situaties, gevoelens, automatische gedachten, uitdagingen of experimenten en rationele gedachten bijhoudt.

cognitief beslissingsgedrag (cognition decision behaviour)

Stadia van de verschillende stappen die gezet moeten worden alvorens een complex probleem opgelost kan worden. De psychologen I.L. Janis en L. Mann onderscheiden daarbij vijf stappen.
1. is het onderkennen dat er een probleem bestaat.
2. is het maken van een overzicht van mogelijke oplossingen.
3. bestaat uit het tegen elkaar afwegen van de verschillende mogelijkheden.
4. bestaat uit het afwegen van de manier waarop de gekozen oplossing het best ten uitvoer gebracht kan worden en
5. tenslotte is de uitvoering. Deze stadia worden bij veel problemen niet allemaal doorlopen. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een probleem wordt onderkend, zonder dat iets aan een oplossing wordt gedaan.

cognitief clarificerend inzicht (cognitive clarification insight)

Inzicht van de psychotherapeut voor de patiënt wat dient als innerlijk referentiekader, waardoor de patiënt in staat is te begrijpen wat er in zijn leven gebeurt om vervolgens daarop te kunnen anticiperen. In die zin kan cognitief clarificerend inzicht ook angstreducerend werken.

cognitief domein (cognitive domain)

Gebied van leerdoelen die betrekking hebben op weten, begrijpen en toepassen van kennis.

cognitief functieonderzoek (cognitive function examination)

Onderzoek waarbij de cognitieve functies van mensen wordt onderzocht. Cognitieve functies zijn het product van 'hogere' hersenactiviteiten, die het beste onderzocht kunnen worden met behulp van psychologische onderzoeksmethoden. Bij cognitief functieonderzoek worden de elementaire psychologische processen, waarop al ons waarnemen, denken en handelen gebaseerd is, onderzocht.

cognitief-gedragmatige behandeling (cognitive behavioral treatment)

Deze behandeling is bijvoorbeeld bij persoonlijkheidsstoornissen gericht op verandering van de persoon. Het uitgangspunt is dat verandering van de persoon een betere aanpassing tot gevolg heeft als bijvoorbeeld een 'adaptatiebevorderende' behandeling (J.J.L. Derksen, 1993).

cognitief schema (cognitive map)

De mentale voorstelling van de voor het bereiken van een doel nodig geachte informatie. De term komt van de Amerikaanse psycholoog Edward C. Tolman, die stelde dat leren meer is dan het koppelen van nieuwe responsen aan bepaalde prikkels (zoals extreme behavioristen beweerden). De hersenen beschikken over een ruimtelijke representatie van de omgeving en maken daar gebruik van bij het leren. Wanneer nieuwe informatie wordt opgenomen, wordt die in het schema ingepast. Met dit begrip kon Tolman verklaren waarom een rat voedsel in een doolhof sneller leerde vinden als hij voor de proef enige tijd in de doolhof had rondgelopen.

cognitieve analytische therapie (cognitive analytic therapy)

Combinatie van cognitieve en analytische therapie van Antony Ryle (1990).

cognitieve beheersing (cognitive control)

Dit betekent dat nieuwe waarnemingen en denkpatronen worden verworven en dat zelfbewustzijn en begrip wordt vergroot (T.B. Karasu, 1986).

cognitieve beoordeling (cognitive appraisal)

Cognitieve beoordeling van bijvoorbeeld een potentieel stressvolle situatie, inclusief mogelijke reacties. R.S. Lazarus heeft in verschillende werken beargumenteerd dat mensen geen affectieve reactie kunnen hebben op een stressvolle stimulus zonder een cognitieve beoordeling van de stimulus, zelfs als deze stimulus niet op het bewustzijnsniveau plaatsvindt.
Smith en Lazarus (1993) veronderstellen dat er zes componenten bij de beoordeling zijn te onderscheiden:
1. motivationele relevantie (staat het in relatie tot mijn persoonlijke wensen?)
2. motivationele congruentie (is het consistent met mijn doelen?)
3. toerekenbaarheid (wie heeft 'krediet' of 'schuld'?)
4. probleemgerichte copingmogelijkheid (kan de situatie ten goede keren?)
5. emotioneelgerichte copingmogelijkheid (kan de situatie psychologisch opgelost worden?)
6. toekomstverwachting (kan de situatie veranderen?)
Van deze zes onderdelen noemt Lazarus de eerste twee de 'primary appraisal' en de resterende vier de 'secondary appraisal'. Primary appraisal gaat over het beoordelen van iemands situationele relevantie, secondary appraisal gaat over het beoordelen van iemands hulpbronnen om er mee om te gaan. Daarnaast stelde Lazarus een derde fase voor de zogenaamde 're-appraisal', waarin de situatie en coping strategieën worden gecontroleerd en indien nodig gewijzigd.

cognitieve bias (cognitive bias)

Een 'vertekening' (bias) van de werkelijkheid die voortkomt uit (automatische) assumpties die iemand heeft. Als bijvoorbeeld vroege ervaringen leiden tot vooringenomenheid ('cognitieve bias'), waardoor het kind, ook als volwassene, de wereld sterk negatief interpreteert en met depressie reageert op (dreigende) verlieservaringen of krenkingen.

cognitieve component van attitudes (cognitive component of attitudes)

Deze component bestaat uit opinies en overwegingen.

cognitieve desorganisatiesyndroom (cognitive disorganize syndrome)

Een syndroom met formele denkstoornissen, verminderde inhoudelijke spraak en ongepast affect.

cognitieve dissonantie (cognitive dissonance)

Inconsistentie tussen handelingen, overtuigingen, attitudes of gevoelens. Volgens de cognitieve dissonantietheorie veroorzaakt dit een onaangename innerlijk toestand die mensen proberen te reduceren door een deel van hun ervaringen opnieuw te interpreteren, zodanig dat ze consistent (in evenwicht) zijn met de overige (L. Festinger, 1957). Zie cognitieve dissonantie theorie.

cognitieve dissonantietheorie (cognitive dissonance theory)

Een consistentietheorie van Leon Festinger (1957). Onder consistentieprincipe wordt verstaan: 'dat in principe wordt verondersteld dat een persoon, als hij meent dat zijn ideeën, meningen en waarden en gedrag hetzij intern strijdig, hetzij met elkaar strijdig zijn, tracht deze strijdigheid op te heffen'.
Volgens de cognitieve dissonantietheorie kunnen cognitieve elementen drie soorten relaties met elkaar hebben: consonant, dissonant of irrelevant. Het laatste betreft het ontbreken van een betrekking. Dissonantie bestaat wanneer twee kenniselementen niet met elkaar te rijmen zijn. De theorie richt zich op de consistentie van cognities; er wordt vooral voorspeld wat het effect van cognitieve dissonantie zal zijn. Dissonantie wordt geacht een onplezierige toestand te zijn, die afhankelijk van de mate van dissonantie, zal leiden tot de neiging dissonantie te reduceren. De mate van dissonantie is een verhouding van dissonantie en consonante cognities en kan als volgt in een formule worden weergegeven:

cognitieve dissonantie = (dissonantie cognities/consonante cognities) x belangrijkheid

De verhouding tussen de dissonante en consonante cognities wordt ook wel gewogen met de belangrijkheid van de cognities. In het algemeen zou men kunnen zeggen dat de grootte van de dissonantie toeneemt naarmate de cognities belangrijker zijn en/of het aantal cognities toeneemt die in een dissonante relatie tot elkaar staan. De motivatie om de dissonantie te reduceren, wordt met toenemend belang ook sterker. Cognitieve dissonantie kan worden verminderd of opgelost door toevoeging van nieuwe cognities of door bestaande cognities te veranderen. Dissonantie zal in het algemeen worden verminderd op de manier die de minste moeite en aanpassing vergt.

cognitieve gedragstherapie (cognitive behavior therapy)

De combinatie van cognitieve en gedragstherapeutische procedures wordt cognitieve gedragstherapie genoemd. In de ontwikkeling van beide therapievormen van de laatste 25 jaar bleken een aantal psychische klachten beter met cognitieve therapie te behandelen terwijl andere klachten weer beter met gedragstherapie te behandelen waren. De combinatie van beide therapieën leek een logische stap speciaal ook omdat cognitief therapeuten vaak in de traditie van de gedragstherapie werken. Cognitieve gedragstherapie blijkt (met de interpersoonlijke psychotherapie) de gunstigste effecten op te leveren in therapie effectstudies (S.D. Hollon e.a, 1992). De verdere ontwikkeling van zowel de cognitieve als de gedragstherapie na 1960 heeft dit mogelijk gemaakt en vooral ook het feit dat deze therapievormen werden uitgebreid naar andere psychische klachten zoals depressie, posttraumatische stress en persoonlijkheidstoornissen. De cognitieve gedragstherapie gaat ervan uit dat gedachten, gevoelens en gedrag op een bepaalde manier met elkaar verbonden zijn. Iemands gedachten beïnvloeden zijn of haar gevoelens en gedrag. Negatieve gedachten zoals 'ik ben niks waard' of 'ik kan dat toch niet' kunnen psychische problemen veroorzaken of versterken. De cognitieve gedragstherapeut zal samen met de cliënt nagaan welke ideeën hij heeft over zichzelf en anderen, wat anderen van hem denken, wat hij zou moeten doen en/of kunnen, of dat de cliënt schuld heeft aan iets, enzovoorts. De therapeut zal vervolgens met de cliënt in gesprek gaan over de mate waarin zijn ideeën op realiteit berusten. Het accent ligt op het aanleren van andere, meer positieve gedachten. Via het beïnvloeden van denkbeelden kan de cliënt zijn gevoelstoestand in gunstige zin veranderen. Daardoor verandert zijn doen en laten in positieve zin en verminderen zijn klachten. Cognitieve gedragstherapie heeft in de afgelopen jaren veel aandacht gekregen.

cognitieve herdefinitie (cognitive redefinition)

Het probleem in een positiever licht gaan zien.

cognitieve hersenpotentialen (cognitive brain potentials)

Veranderingen in het EEG die gerelateerd zijn aan de verwerking van aangeboden prikkels.

cognitieve herstructurering (cognitive restructuring)

Het positiever en realistischer maken van stresserende gedachten.

cognitieve neuropsychiatrie (cognitive neuropsychiatry)

Dit is de verbintenis van cognitieve psychologie, neuropsychologie en psychiatrie. De cognitieve psychologie bestudeert met behulp van exacte, experimentele methoden het cognitief functioneren (aandacht, waarneming, geheugen, taal, denken), en in toenemende mate ook het emotioneel functioneren. De neuropsychologie relateert cognitieve en emotionele gedragingen aan het functioneren van de hersenen. In de kliniek richt de neuropsychologie zich op stoornissen in cognitie en emotie als gevolg van hersenletsel en hersenziekten. De cognitieve psychologie en de neuropsychologie zijn steeds verder naar elkaar toe gegroeid, en de komst van beeldvormende technieken, waarmee het functioneren van de hersenen in vivo kan worden onderzocht, leverde mooie kansen voor de cognitieve neuropsychologie om de validiteit van theorieën over cognitieve functies te toetsen. Bovendien hebben de cognitieve psychologie en de (klinische) neuropsychologie in de laatste decennia hun terrein verbreed naar psychiatrische symptomen en ziekten. Ze hebben daarmee aansluiting gevonden bij de biologische psychiatrie. Dit heeft geleid tot een nieuw wetenschapsgebied: de cognitieve neuropsychiatrie (P. Eling e.a., 2003)

cognitieve neuropsychologie (cognitive neuropsychology)

Cognitieve neuropsychologie is het wetenschapgebied waar de relaties tussen hersenstoornissen en cognities bestudeerd worden in onderzoek alsmede in de praktijk waar deze kennis wordt toegepast in de vorm van diagnostiek, begeleiding en behandeling. De cognitieve neuropsychologie is net als de klinische neuropsychologie een onderdeel van de neuropsychologie.

cognitieve ontregeling (cognitive disorder)

Een formele denkstoornis waarbij de regels van de logica overtreden worden zoals bijvoorbeeld bij wanen.

cognitieve ontwikkeling, volgens Piaget (cognitive development, by Piaget)

Jean Piaget (1896-1980) onderscheidt de cognitieve ontwikkeling van mensen in vier fasen:
1. sensomotorische stadium (zintuigontwikkeling): objectpermanentie, egocentrisme en representatie;
2. pre-operationele stadium: operaties of handelingen (nog niet reversibel);
3. concreet-operationele stadium: overgang omkeerbaar (reversibel) denken, conservatie met argumenteren, seriatie, transitief denken en representatie van anticiperende beelden;
4. formeel-operationele stadium: algemener en abstracter denken mogelijk zoals logische denken en hypothetisch deductief-, propositioneel- en combinatorisch redeneren.
Deze ontwikkeling van de intelligentie is een beschrijving van de kwalitatieve veranderingen van de cognitieve structuren. Dit is een kwalitatieve benaderingen daar het gaat om processen die ten grondslag liggen aan het intelligent functioneren. De term cognitie verwijst naar het geheel van de processen die te maken hebben met het verwerven en begrijpen van kennis, het oplossen van problemen en het anticiperen op resultaten van een uit te voeren handeling. Er zijn bij deze theorie twee nauw aan elkaar gerelateerde aspecten te onderscheiden: de functie en de structuur van het intelligent handelen. De term structuur verwijst naar een abstract begrip: een georganiseerde totaliteit waar binnen de relaties tussen de elementen duidelijk zijn gedefinieerd. De functie van de intelligentie betreft de tendentie naar organiseren (integreren en coördineren) en adaptatie (accommodatie en assimilatie). Assimilatie is het opnemen van elementen in de aanwezige structuur, hetzij fysiologisch of cognitief. Accommodatie is het complementaire proces van assimilatie en is het proces van verandering van bestaande structuren om deze geschikt te maken voor het opnemen van nieuwe, onbekende informatie. Als motor van de ontwikkeling van de intelligentie geldt bij Piaget het intrinsieke streven naar evenwicht (equilibratie) als een zelfregulerende activiteit. Volgens Piaget doorlopen alle kinderen de vier eerder genoemde stadia en wel in dezelfde volgorde, de leeftijd op zich verklaart niet het intellectuele ontwikkelingsniveau van het kind. Niet alle personen zullen het formeel-operationele stadium bereiken normaal eindigt het laatste stadium op de leeftijd van zo'n twaalf jaar.

cognitieve psychologie (cognitive psychology)

Vanaf het eind van de jaren zestig onderkenden steeds meer psychologen dat de hersenen informatie verwerken en niet slechts reageren op informatie. Dit resulteerde in een nieuwe stroming: de cognitieve psychologie. De opkomst van de cognitieve psychologie was gedeeltelijk een reactie op het behaviorisme. Volgens het behaviorisme waren mentale processen niet toegankelijk voor empirische toetsing, en vielen daarom buiten het domein van de empirische wetenschap. De cognitieve psychologie beoogde juist wel theorieën over mentale processen te formuleren. In de onderzoeksmethoden hebben de cognitivisten zich echter wel laten inspireren door de behavioristen. Onderzoek naar mentale processen dient langs experimentele weg te gebeuren en mag nooit volledig gebaseerd zijn op zelfwaarneming of introspectie. In de cognitieve psychologie wordt de mens beschouwd als een informatieverwerkend systeem. Hiermee wordt gedoeld op de processen die een rol spelen bij het verwerven, de opslag en reproductie van kennis. De kennis waarover een persoon beschikt is volgens de cognitief psychologen georganiseerd in schema’s of associatieve netwerken. Schema's worden gevormd op grond van de cognitieve verwerking van ervaringen en hebben betrekking op een bepaald terrein. Dat kennis is georganiseerd in generaliserende schema's biedt veel voordelen. Indien dat namelijk niet het geval zou zijn, dan zou het geheugen vol zitten met losse ervaringen en gedachten, zonder onderlinge verbanden, zonder organisatie. Schema's dienen dus om informatie te selecteren, te reduceren en te interpreteren. Een nadeel kan echter zijn dat eenmaal gevormde schema's een zekere weerstand vertonen tegen verandering. Doordat schema's hun stempel drukken op de informatieverwerking krijgt informatie die congruent is met reeds bestaande schema meestal voorrang ten opzichte van informatie die incongruent is met het bestaande schema. Dit resulteert soms in vertekeningen van de werkelijkheid (Eng: bias), waardoor disfunctionele schema's kunnen ontstaan.

cognitieve schemata (cognitive schemas)

Representaties die zijn opgebouwd uit wiskundige schema's, zoals het deel-geheel-schema.

Cognitieve Screening Test (~)

Afgekort: CST. Deze test is bedoeld om cognitief verval bij ouderen te meten en bestaat uit 20 vragen, zoals 'Hoe oud bent u?', 'Wie is op het ogenblijk onze koningin?', en 'Wanneer was de Tweede Wereldoorlog?'. Uit onderzoek blijkt dat de test demente en niet-demente ouderen van elkaar kan onderscheiden (A. de Graaf & B.G. Deelman, 1991).

cognitieve stijl (cognition style)

Stijl die betrekking heeft op de manier waarop individuen kennis over de werkelijkheid organiseren.

cognitieve stoornissen (cognitive disorders)

Basale stoornissen van de informatieverwerking door de hersenen.

cognitieve strategieën (cognitive strategies)

Interne regelprocessen waarmee de lerende persoon zijn leerproces stuurt. Bestaan uit kennis over mogelijke strategieën en kennis over wanneer en hoe deze strategieën moeten worden uitgevoerd.

cognitieve theorie van de psychopathologie (cognitive theory of the psychopathology)

Psychopathologen veronderstellen dat zogenaamde schema's de informatieverwerking beïnvloeden. Een schema wordt geactiveerd door een bijpassende gebeurtenis. De cognitieve hypothese van psychopathologie houdt in dat bepaalde schema's hyperactief zijn geworden en de informatieverwerking zijn gaan domineren, zodat vertekeningen in de interpretatie en daarmee excessieve emoties en gedragingen gaan optreden. Zo wordt verondersteld dat in het geval van depressieve schema's gecentreerd rondom verlies overheersen, zodat de depressieve persoon allerlei gebeurtenissen zo gaat interpreteren dat ze steeds weer een nieuw verlies, of een bestendiging van een verlies, gaan betekenen. Bij angststoornissen zouden schema's gecentreerd rondom bedreiging, bij manie rondom winst, bij dwang rondom schuld en bij agressie rondom normovertreding een rol spelen. De persoon ervaart de hypervalentie van dergelijke schema's door de bijbehorende gevoelens en door willekeurige gedachten. Deze zogenaamde automatische gedachten zijn, in tegenstelling tot wat in vroege versies van cognitieve therapie werd aangehangen, dus niet de oorzaak van het emotioneel onwel bevinden, maar zijn evenals de gevoelens een product van de schema's. Het doel van de cognitieve therapie is om uiteindelijk deze onderliggende schema's, die eenmaal gevormd resistent zijn tegen verandering, te wijzigen.

cognitieve therapie (cognitive therapy)

Cognitieve therapie is een behandelvorm die gebaseerd is op het idee dat psychische klachten of problemen voortkomen uit de wijze waarop mensen informatie selecteren en verwerken. Hoewel de therapie 'cognitief' heet, betekent dit niet dat ze koel en niet-emotioneel is. Het gaat bij cognitieve therapie dan om wat wel de 'hot-cognitions' worden genoemd: opvattingen die nauw verbonden zijn met sterke emoties en disfunctionele gedragingen. Vanaf eind jaren zestig worden Aaron Beck (zie foto) en Albert Ellis beschouwd als de grondleggers van deze therapievorm, hoewel vroege vormen van cognitieve therapie al in de oudheid zijn beschreven. In deze therapie wordt geprobeerd om de (tot dan toe grotendeels automatische) manieren van informatieselectie en interpretatie bewust te laten worden, en deze te beïnvloeden door kritische reflectie en toetsing aan de werkelijkheid. Het uiteindelijk doel is meestal een verandering op het niveau van schema's. Dit zijn georganiseerde 'kennisbestanden' en bevatten gegeneraliseerde kennis over de wereld, over de persoon zelf en over de interactie tussen de persoon en de buitenwereld. De therapeut stelt zich doorgaans steunend, empatisch en actief op en probeert samen met de cliënt een soort team te vormen, dat zich laat vergelijken met een team van onderzoekers dat een bepaalde theorie aan een kritisch onderzoek onderwerpt (A. Beck e.a., 1979). Alleen bij de rationeel-emotieve therapie (RET) van Ellis neemt de therapeut een meer confronterende en soms 'betogende' houding aan. Therapeuten uit de school van Beck maken meer gebruik van de 'Socratische dialoog'. Dit is een manier van doorvragen die de cliënt ertoe brengt zich bewust te worden van de manier waarop hij redeneert en van de vertekeningen die hij daarmee teweegbrengt. De therapeut stimuleert de cliënt zelf tot nieuwe inzichten te komen. In vergelijking met RET speelt in deze theorie het toetsen van opvattingen van de cliënt aan de realiteit een grotere rol. De cognitieve therapie gebruikt ook zogenaamde gedragsexperimenten, waarmee de cliënt door zich op een specifieke manier te gedragen, test of zijn voorspellingen uitkomen of niet. Op deze wijze verkrijgt hij door ervaring informatie over de houdbaarheid van oude en nieuwe opvattingen.De laatste jaren zijn er gespecialiseerde vormen van cognitieve therapie ontwikkeld voor talloze stoornissen, zoals depressie, de verschillende angststoornissen, verslaving, psychotische stoornissen en persoonlijkheidsstoornissen. Deze therapieën, die op specifieke stoornissen zijn toegesneden, behoren tot de meest effectieve psychotherapeutische behandelingsvormen. Cognitieve therapie wordt ook vaak succesvol gecombineerd met gedragstherapie en wordt dan 'cognitieve gedragstherapie' genoemd. Behandelmethoden zijn onder andere: de rationale, cognitief handboek, de Socratische dialoog en de geleide ontdekking, experimenten en assumpties expliciteren.

cognitieve triade (cognitive triade)

Bij depressieve stoornissen zou het denken gepreoccupeerd zijn met verlies- en hopeloosheidsgedachten. De schema's die aan depressie ten grondslag liggen - de depressogene schema's - kenmerken zich volgens Beck door ideeën over eigen waardeloosheid en schuld(1), over onrechtvaardigheid en liefdeloosheid van de wereld en andere mensen (2) en over de hopeloosheid van de toekomst (3) (A. Beck,1976).

cognitieve vermijdingshypothese (cognitive avoiding hypothesis)

Dit is de veronderstelling dat angstigen weliswaar in eerste instantie hun aandacht richten op bedreigende informatie, maar dat ze daarna deze informatie juist plegen te vermijden zodra ze niet al te angstig worden (A. Mathews, 1993).

Cognition Check-list (~)

Meetinstrument voor depressieve cognities (A. Beck e.a., 1987).

Cognitive Assessment of Voices: interview schedule (~)

Meetinstrument voor het opsporen van psychotische symptomen (P.D.J. Chadwick & M.J. Birchwood, 1994)

cognitivisme (cognitivism)

Stroming binnen de psychologie die de menselijke geest opvat als een informatieverwerkend systeem en vervolgens modellen construeert en evalueert over de aard van de mentale processen die bij de informatieverwerking betrokken zijn.

Cohen's Kappa (Cohens Kappa)

Maat voor overeenstemming tussen twee of meerdere observatoren.

compensatoire responsen (compensatory responses)

Term uit de klassieke conditioneringstheorie en speciaal van belang bij het veelvuldig gebruik en verslaving van drugs en alcohol.
Voorbeeld 1. Als iemand zich elke dag in zijn stamkroeg bedrinkt, wordt de stamkroeg na verloop van tijd een betrouwbare voorspeller van alcohol inname. Zodra die voorspeller zich aandient, neemt het lichaam van de drinker voorzorgsmaatregelen. De drinker bereid zich op de alcohol voor door anticipatief te reageren met een stijging van de kerntemperatuur. Daarmee corrigeert de drinker bij voorbaat voor de verwachte temperatuurdaling. De stamkroeg (cue) die systematisch gepaard gaat met de inname van alcohol, ontlokt aan de drinker 'voorbereidende compensatoire responsen'. De cues zijn geconditioneerde stimuli (CS's) geworden die de ongeconditioneerde stimulus (de inname van alcohol; UCS) voorspellen en daarom aan de drinker klassiek geconditioneerde reacties (CR's of cue-activiteit) ontlokken.
Voorbeeld 2. Ongeveer 1 procent van de heroïnejunks spuit zich jaarlijks dood. De theorie doet vermoeden dat de effecten van heroïne onvoldoende gecompenseerd werden door antagonistische reacties op cues. Dat dit een aannemelijk verklaring is, blijkt uit verhalen van junks die het overleefd hebben: zij melden dat de bijna dodelijk dosis eerder wel werd getolereerd, maar dat zij nu hadden gebruikt in situaties waarin zelden of nooit eerder hadden gespoten en misten zo waarschijnlijk de compensatoire responsen vooraf.
Voorbeeld 3. Toediening van adrenaline leidt gewoonlijk tot een versnelling van de hartslag. Hondje die een reeks adrenaline-injecties kregen, reageerden na klassieke conditionering met een daling van de hartslag op een placebo-injectie.

competitie van cues (competition of cues)

Hiermee wordt bedoeld dat er tussen informatiestromen van verschillende bronnen altijd een zekere 'strijd' gaande is om de
beschikbare verwerkingscapaciteit in de hersenen.

conatieve functie (conative function)

Dit is de handelende functie zoals we die kennen in het gedrag van mensen. Naast de conatieve functie kunnen we de affectieve functie (gevoelens) en cognitieve functies (weten en kennen) onderscheiden.

conceptually-driven processing (conceptually-driven processing)

Als zintuiglijke informatie in verband gebracht wordt met fysieke kenmerken bijvoorbeeld visuele, auditieve en somatosensorische informatie. Deze geheugenopslag lijkt een exacte weergave te zijn van de informatie zoals de zintuigen dat hebben doorgegeven. Dit hangt samen met conceptually-driven-processing. Want hoe meer data-driven verwerking hoe minder conceptually-driven verwerking en vice versa (H.L. Roediger, 1990).

conditioneren (conditioning)

Een eenvoudige vorm van leren, waarbij het organisme een associatie maakt tussen een stimulus en een respons. De term wordt zowel gebruikt voor het leerproces zelf als voor de experimentele procedure, waarmee onderzoek gedaan wordt naar deze leervorm. Er worden twee vormen van conditioneren onderscheiden:
1. Bij het klassiek conditioneren leert het organisme reflexmatig te reageren op een stimulus die oorspronkelijk (van nature) geen reactie teweegbrengt. Dit lukt door deze stimulus tegelijkertijd aan te bieden met een prikkel waar het organisme wel 'automatisch' op reageert. Klassiek conditioneren wordt ook wel Pavloviaanse conditionering genoemd vanwege het feit dat Ivan Pavlov deze vorm van leren als eerste onderzocht. Andere benamingen zijn: respondente en type S-conditionering.
2. Bij operante conditionering wordt het van nature voorkomend gedrag van het organisme beloond of bestraft en daardoor zal dit gedrag meer of minder gaan optreden
(bekrachtiging). De operante conditionering is een hogere vorm van leergedrag dan de klassieke conditionering. Het betreft gedeeltelijk ook willekeurige reacties, terwijl klassieke conditionering reflexmatige reacties aanleert. Andere benamingen voor operante conditionering zijn Skinneriaanse, instrumentele en type R-conditionering.

conditioneren, interoceptief (conditioning, interoceptive)

Een speciale vorm van klassiek conditioneren. Hierbij wordt de werking van de interne organen van de mens, zoals het hart, de ingewanden en de bloedvaten, onder controle gebracht van externe stimuli. Dit is natuurlijk slechts tot op zekere hoogte mogelijk.

congruentie (congruency)

Congruentie tussen zelfbeeld en ervaringen is een voorwaarde voor 'psychische gezondheid' en voor een ontwikkeling in de richting van zelfverwezenlijking.

connotatie (connotation)

De bijbetekenis die een woord heeft naast de eigenlijke betekenis. Meestal wordt het begrip gebruikt om verwijzingen van emotionele aard aan te geven. De term is afkomstig van de Britse filosoof J.S. Mill die connotatie onderscheidde van denotatie.

conservatie principe (conservation principle)

Het verstandelijke besef dat sommige eigenschappen van voorwerpen of personen onveranderd blijven, ondanks de uiterlijke schijn van het tegendeel. Dit begrip speelt een belangrijke rol in ontwikkelingstheorie van Jean Piaget en wordt volgens hem verkregen rond de leeftijd van zeven jaar. Voor deze tijd denken kinderen bijvoorbeeld dat zes damstenen die verder uit elkaar liggen dan zes stenen die dicht bij elkaar liggen, er meer zijn. Evenzo geloven zij dat water dat uit een hoog, smal glas in een breed glas wordt gegoten, minder wordt. Het waterpeil staat immers in het brede glas minder hoog.

coping (~)

Coping is de wijze waarop we als mensen omgaan met problemen in onze omgeving. Coping speelt een belangrijke rol in het stress en burnoutproces en heeft ook een belangrijke functie bij terugvalpreventie. Of deze problemen nu ontstaan in een ontspannen of stressvolle situatie is eigenlijk niet van belang, het gaat om het gedrag voortkomend uit en door probleemsituaties. Het begrip coping is ontstaan in de klinische psychologie. Vanuit een psyhoanalytisch gezichtspunt is onderzocht hoe mensen op bedreigingen vanuit zichzelf reageren. Copinggedrag is in belangrijke mate onafhankelijk van de situatie en van het soort dreiging, en verandert niet of nauwelijks in de tijd. Coping moet gezien worden als een voortdurend ondernemen van cognitieve en gedragsinspanningen om aan de eisen van de buitenwereld tegemoet te komen, of om de eisen die men aan zichzelf stelt. Coping heeft ook betrekking op iemands emotionele verwerkingsvermogen, het beheersen van de emotionele reacties, waarbij het meer gaat om contactuele en sociale eigenschappen. In Nederland wordt vaak gebruik gemaakt van de Utrechtse Coping List (UCL), hierin worden 7 stijlen gedefinieerd. Om coping duidelijk uit te kunnen leggen beperkt het zich hier in vier stijlen. Deze stijlen zijn erg verschillend en worden in principe door ieder mens (effectief of ineffectief) toegepast, afhankelijk van de situatie. De vier stijlen zijn: actief aanpakken, sociale steun zoeken, vermijden en afwachten, afleiding zoeken. In een schema wordt dit verder in categorieën onderverdeeld zoals: rationeel emotioneel, vechtmechanisme(fight), actief aanpakken sociale steun zoeken, vluchtmechanisme(flight) vermijden en afwachten afleiding zoeken.

copingsgedrag (coping behaviour)

Ook adaptieve aanpassing. De manier waarop een individu een stressvolle situatie het hoofd probeert te bieden, bijvoorbeeld door deze situatie zelf te veranderen, zich te ontspannen of anders tegen de situatie aan te kijken. Men kan twee categorieën van coping onderscheiden: probleemgerichte stresshantering en emotiegerichte stresshantering. Daarnaast kan nog worden gewerkt aan sociale ondersteuning een mengvorm van beide categorieën (R.S. Lazarus & S. Folkman, 1984).

covariatiemodel (covariation-model)

Attributietheorie waarin wordt gesteld dat effecten worden geattribueerd aan die omstandigheden die aanwezig zijn als het effect aanwezig is, en die afwezig zijn als het effect afwezig is. Drie belangrijke factoren zijn: distinctiviteit, concensus en consistentie (H. Kelley, 1967).

covariatieprincipe (covariation principle)

Volgens dit principe wordt een effect geattribueerd aan die omstandigheid die aanwezig is wanneer het effect aanwezig is en die afwezig is wanneer het betreffende effect afwezig is.

cues (~)

Nonverbale aanwijzigingen, signalen of objecten voor mensen, gepaard gaande met een positieve of negatieve gevoelswaarde, waarbij het ontstaan vaak samenhangt met geconditioneerde leerervaringen. In negatieve zin ontstaan cues zoals bij gokken, drugs en alcohol maar ook kunnen negatieve cues ontstaan op het werk of op school waar een persoon het bijvoorbeeld niet meer naar zijn zin heeft. Een positieve cue is bijvoorbeeld een plaats waar men zich veilig voelt zoals thuis, op een bekende vakantiebestemming of in het ouderlijk huis.


- D -

data-driven processing (~)

Als zintuiglijke informatie in verband gebracht wordt met fysieke kenmerken bijvoorbeeld visuele, auditieve en somatosensorische informatie.
Deze geheugenopslag lijkt een exacte weergave te zijn van de informatie zoals de zintuigen dat hebben doorgegeven. Dit hangt samen met conceptually-driven-processing. Want hoe meer data-driven verwerking hoe minder conceptually-driven verwerking en vice versa (H.L. Roediger, 1990).

denkfouten (mental errors)

Selectieve interpretatie kunnen leiden tot forse vertekeningen van de oorspronkelijke informatie, we noemen dit ook wel denkfouten. Het aantal mogelijke denkfouten lijkt haast onuitputtelijk. Een aantal van de belangrijkste zijn: willekeurige gevolgtrekking, selectieve obstructie, overgeneralisatie, personalisatie, absoluut dichotoom denken, emotioneel redeneren.

depressieve stoornis (depressive disorders)

De depressieve stoornis valt onder de DSM-IV-classificatie van stemmingsstoornissen. De hoofdcategorie stemmingsstoornissen van DSM-IV bestaat uit drie klassen: depressieve stoornissen, bipolaire stoornissen en overige stemmingsstoornissen.
In de DSM-IV wordt de term 'depressieve stoornis(sen)' in twee betekenissen gebruikt. Ten eerste verwijst de term naar een klasse van stemmingsstoornissen. In deze betekenis vormen depressieve stoornissen een klasse naast de bipolaire stoornissen en de overige stemmingsstoornissen. Ten tweede wordt de term, wat heel verwarrend is, ook gebruikt om binnen de depressieve stoornissen (Eng: depressive disorders) een bepaalde stoornis aan te duiden, namelijk de depressieve stoornis ('major depressive disorder') of 'depressie in engere zin'.
Kenmerkend voor een depressie (in engere zin) stoornis is dat de patiënt één of meer depressieve episoden heeft meegemaakt, terwijl er daarnaast geen manische of hypomane episoden zijn voorgevallen. Kernsymptomen van een depressieve episode zijn een depressieve stemming en verlies van interesse. Tijdens een depressieve episode hebben patiënten er doorgaans ook veel moeite mee om taken te beginnen en af te ronden. Andere karakteristieke symptomen zijn een duidelijke afname of toename in gewicht of eetlust, slaapklachten, psychomotorische remming of agitatie, moeheid of een gebrek aan energie, zich waardeloos of schuldig voelen, concentratieproblemen, besluiteloosheid en doodgedachten.
Een depressieve stoornis kan op alle leeftijden ontstaan. Bij mensen die een depressieve episode hebben doorgemaakt, is de kans op herhaling van een dergelijke episode aanmerkelijk, en die kans neemt toe naarmate zij meer depressieve episoden hebben gekend. Personen zonder intieme banden, gescheiden mensen en verweduwden lopen een grotere kans om de stoornis te krijgen. Soms ontwikkelt een depressieve stoornis zich geleidelijk, maar het is ook mogelijk dat zij vrij plotseling ontstaat, vaak na het optreden van één of meer stressveroorzakende gebeurtenissen. De 'stressoren' hebben dikwijls een zeker verlieskarakter.
De DSM-IV diagnostische criteria voor een depressieve stoornis zijn:
1. Er is sprake van een depressieve episode.
2. De symptomen zijn niet eerder toe te schrijven aan een schizoaffectieve stoornis en zijn niet gesuperponeerd op een andere psychotische stoornis.
3. Er is nooit een manische gemengde of hypomane episode geweest..
Wanneer een patiënt 'slechts' eenmaal een depressieve episode heeft doorgemaakt, spreekt men van een 'depressieve stoornis, eenmalige episode'. Zijn er in het verleden meerdere depressieve episoden geweest, dan luidt de diagnose 'depressieve stoornis, recidiverend'. De depressieve stoornis is een ernstige stoornis, zoals blijkt uit de bevindingen dat meer dan 15 procent van de patiënten overlijdt door suïcide (APA, 1994; H.T. van der Molen e.a., 1997).

depressogene schema's (depressogene schemas)

De schema's die aan een depressie ten grondslag liggen en kenmerken zich volgens Aaron Beck door ideeën over eigen waardeloosheid en schuld, over de onrechtvaardigheid en liefdeloosheid van de wereld en andere mensen, en over de hopeloosheid van de toekomst (de zogenaamde 'cognitieve triade').

divergent denken (divergent thinking)

Het genereren van nieuwe oplossingen voor gestelde problemen; creativiteit.

doelgericht gedrag (target directed behaviour)

Gedrag waarbij sprake is van een motivationele intentie. Het doel en gedrag zijn beide van belang en laten zich verbinden door de belangrijkheid van het doel om tot dit (doelgericht)gedrag te komen.


- E -

eigen effectiviteit (self-efficacy)

Dit betreft de inschatting door een persoon van de mate waarin hij of zij daadwerkelijk in staat zal zijn het beoogde gedrag te vertonen. De inschatting van eigen effectiviteit lijkt het resultaat van vier factoren: ervaring met het gedrag, observeren van anderen (zoals in de sociale-leertheorie), overtuiging door anderen en de waarneming van eigen toestanden (zoals onzekerheid en nervositeit) (A. Bandura, 1977,1986; I. Ajzen, 1987).

emotiegerichte coping (emotion-focused coping)

Actie van de patiënt gericht op het vermijden van spanningen door ontkenning, afleiding of het zoeken van sociale steun.

empirisch onderzoek (empirical research)

Onderzoek waarbij men door middel van waarneming vaststelt wat zich in de werkelijkheid (empirie) afspeelt.

enactment (~)

Onbewuste constellaties van overdracht en tegenoverdracht tussen cliënt en psychotherapeut.

evaluatie waardebepaling (evaluation valuation)

In het onderwijs betreft de evaluatie, die van groot belang is voor de leerplan ontwikkeling, zowel onderzoek naar het bereiken van de onderwijsdoelen door de leerlingen, als onderzoek naar de geschiktheid van leerprocedures of delen ervan om de onderwijsdoelen te realiseren. Het begrip evaluatie wordt ook in een bredere context gebruikt.

evaluatieve feedback (evaluative feedback)

Waarderende informatie die een individu over zijn gedrag ontvangt.

exogene beloning (exogenous reward)

Een beloning die geen verband houdt met de aard of de inhoud van de taak (A.W. Kruglanski).

experimentator bias (~)

Een vertekening die ontstaat doordat tijdens een experimentele test de verwachtingen van de onderzoeker over de persoon die de test ondergaat een rol spelen in de uitslag van het experiment.

experimentele groep (experimental group)

Een onderzoeksgroep waarbij de te onderzoeken experimentele test met de onderzoeksvariabelen wordt uitgevoerd. De controle groep is de groep die tegelijkertijd meedoet aan de test maar juist niet onderhevig is aan de onderzoeksvariabelen, zoals bijvoorbeeld een placebo, externe beïnvloeding, enzovoorts.

experimentele manipulatie (experimental manipulation)

Het scheppen door de onderzoeker van verschillende condities in een experiment die de onafhankelijke variabelen vormen.

experimentele neurose (experimental neurosis)

De Russische arts Ivan Pavlov deed in de twintiger jaren van de vorige eeuw belangrijk experimenteel onderzoek met honden. Tijdens dit onderzoek ontdekte hij dat als de stimuli die hij aanbood van 'eenduidig' overgingen in 'ambigue', de honden zich zeer nerveus of neurotische begonnen te gedragen. Dit onderzoek is van belang geweest voor de leertheorie als verklaring voor neurotisch gedrag bij mensen.

experimentele psychologie (experimental psychology)

Na 1850 raakte men er steeds meer van overtuigd dat psychologische eigenschappen van mensen zoals intelligentie, bewustzijnservaringen en gedragsfenomenen, vragen om kwantisering door meting (het experimenteel onderzoek). Het waren F. Galton, W. Wundt, G. Fechner, H. von Helmholtz die als eersten experimenteel onderzoek deden, dat van blijvende invloed is geweest op de latere ontwikkeling van de psychologie.

exploratie (exploration)

Term uit de psychotherapie. Is het onderzoeken van de innerlijke ervaringen van de patiënt die niet te observeren zijn, zoals zijn stemming, zijn gedachte-inhoud, oordeelsvorming, enzovoorts.

exposure (~)

Blootstelling aan een angstige situatie. Bij de gedragstherapeutische behandeling van fobische patiënten vormt de blootstelling aan de gevreesde situaties (exposure) de kern van de therapie.

exposure in vivo (~)

Blootstelling door de patiënt aan de werkelijke situatie, die spanning en angst oproept en die de patiënt geneigd is te vermijden.

exposure in vivo met responspreventie (exposure in vivo with response-prevention)

Zie exposure met responspreventie.

exposure met responspreventie (exposure with response-prevention)

Deze vorm van exposure (blootstelling aan de stimulus cue) vindt onder andere plaats bij behandeling van verslavingen, bulimia nervosa en dwangstoornissen. Na blootstelling aan de angst oproepende situatie vindt responspreventie plaats om uitdoving van de respons door de patiënt te bewerkstelligen, door bijvoorbeeld de eigen dwanghandeling niet uit te voeren. Als de blootstelling 'realistisch' is spreken we over 'in vivo exposure' anders over 'imaginaire exposure' als de voorstelling van de angstige situatie in de gedachten van de patiënt wordt gebruikt. Term uit de cognitieve gedragstherapie.

exposure therapie (exposure therapy)

We onderscheiden twee vormen:
1. Graduele exposure. Hierbij controleert de patiënt de exposure zelf, doordat hij zelf kan bepalen wanneer hij met een moeilijk item begint (bijvoorbeeld systematische desensitisatie).
2. Flooding en prolonged exposure in vivo. Hierbij bepaalt de therapeut de mate en de duur van de exposure (bijvoorbeeld flooding).
Een variant op exposure is exposure met responspreventie. Deze vorm van exposure vindt onder andere toepassing bij de behandeling van verslavingen, bulimia nervosa en dwangstoornissen. Het doel is het uitdoven van de respons door de patiënt te verbieden de eigen handeling uit te voeren.

expressed emotion (expressed emotion)

De mate van negatieve kritiek, vijandigheid en overbetrokkenheid bij interactie in het gezin. Onderzoek heeft aangetoond dat de mate waarin gezinsleden kritiek leveren op de patiënt en te sterk betrokken zijn bij de patiënt, het verloop van schizofrenie beïnvloeden. Een kritische houding en een te sterke emotionele betrokkenheid bij andere gezinsleden voorspellen een verhoogd risico van terugval in een psychotische episode voor het schizofrene gezinslid.

externe beheersing (external control)

1. De algemene overtuiging van een individu dat zijn lot grotendeels bepaald wordt door factoren waar hij geen greep op heeft.
2. Het streven van bedrijven naar het optimaal onder controle houden van de invloed van externe omgevingsfactoren op het verloop binnen het productieproces.


- F -

fenomenologie (phenomenology)

Fenomeen is verschijnsel. Dit is de studie van verschijnselen of gebeurtenissen zoals zij gebeuren, zonder daarbij interpretatie van de verschijnselen of gebeurtenissen plaatsvindt. De eerste die deze opvatting duidelijk woorden heeft gebracht is Edmund Husserl (1859-1938).
Hij stelde dat filosofische onderzoekingen altijd de processen in het eigen bewustzijn als uitgangspunt moeten nemen, omdat alleen deze processen een goed beeld zouden kunnen geven van de essentie van dingen. Het bewustzijn (gevoelens, herinneringen, stemmingen, gedachten, waarnemingen. enzovoort) moest systematisch bestudeerd worden. Zeer belangrijk voor Husserl was om het denken te bevrijden van zoveel mogelijk vooronderstellingen. Iedere theorie zou het zicht op het ware wezen van dingen belemmeren.
2. Uit deze opvattingen is de fenomenologische psychologie voortgekomen.

Festinger, Leon (~)

(Geb. 1919) Amerikaans psycholoog, hoogleraar aan de Stanford Universiteit. Festinger is vooral bekend geworden door zijn 'cognitieve dissonantietheorie' en auteur van "Conflict, decision and dissonance" (1964).


 

flooding (~)

Een methode van angstreductie bij gedragstherapie. Bij flooding wordt de patiënt volledig en langdurig aan de meest gevreesde stimulus blootgesteld, totdat de patiënt geen angst meer vertoont. Iemand met hoogtevrees moet bijvoorbeeld (in gedachten of in werkelijkheid) meteen op de bovenste verdieping van een hoge flat gaan staan. Hoewel flooding effectief is wordt in de praktijk meestal gekozen voor meer geleidelijke vormen van exposure-therapie zoals bijvoorbeeld 'systematische desensitisatie'.

focused interview (~)

Gestructureerd interview waarmee getracht wordt van een kandidaat meer duidelijkheid te krijgen over de achtergronden van het handelen en de belevingen bij de uitvoering van gedragsproeven.

Freud, Sigmund (~)

(1856 - 1939) Oostenrijks neuroloog en psychiater, grondlegger van de psychoanalyse, woonde van 1860 tot 1938 te Wenen, waar hij geneeskunde studeerde. Onder Ernst von Brücke deed hij fysiologische onderzoekingen, later werkte hij onder Meynert op neuro-anatomisch gebied. In 1885 werd hij privaatdocent in de neuropathologie. Hij leverde belangrijke bijdragen tot de neuropathologie, onder andere een studie over afasie en een verhandeling over de kinderverlamming in "Nothnagels Handbuch der allgemeinen und speziellen Therapie". In 1884 publiceerde hij een artikel over de verdovende eigenschappen van cocaïne, welke studie voor Karl Koller het uitgangspunt zou zijn voor zijn ontdekking van de plaatselijke verdoving in de oogheelkunde en de chirurgie.
Een studiereis naar Parijs (1886-1887), waar hij onder de bekende neuroloog Jean Martin Charcot in de Salpétrière werkte, werd een beslissend keerpunt in zijn leven. Bij Charcot leerde hij de psychische oorsprong van de neurose, vooral de hysterie, kennen. In 1886, het jaar van zijn huwelijk, vestigde Freud zich als zenuwarts te Wenen. Reeds voor zijn reis naar Parijs had hij kennisgemaakt met de Weense medicus Josef Breuer, die zich in 1880-1882 al een diep inzicht in de betekenis van hysterische symptomen had verworven. In 1887 ontstond een nauwe samenwerking, waaruit in 1895 het met Breuer samen geschreven boek "Studien über Hysterie" resulteerde. De toegepaste behandeling werd onder de naam 'psycho-katharsis' beschreven. De betekenis van het onbewuste zielenleven was ontdekt. Enkele jaren later kwam het tot een breuk met Breuer, die Freuds opvattingen over de betekenis van de seksualiteit in de etiologie van de neurosen niet kon delen. Geruime tijd ging Freud daarop alleen zijn weg. Bekend is zijn beschrijving van de angstneurose als ziektebeeld. De grondslagen voor de later 'psychoanalyse' genoemde leer werden gelegd. Weerstand en verdringing werden ontdekt. Zij behoren tot de fundamenten van de neurosenleer. De belangrijkste werkingsprincipes daarvan heeft Freud in het klassiek geworden werk "Die Traumdeutung" (1900) neergelegd. Eveneens van grote betekenis werden de "Drei Abhandlungen zur Sexualtheorie" (1905; een studie over seksuele aberraties).
De belangstelling voor Freuds werk werd geleidelijk groter. In 1902 werd Freud buitengewoon hoogleraar te Wenen. In 1908 sloten Eugen Bleuler en Carl Gustav Jung zich bij hem aan. In 1910 werd een internationale psychoanalytische vereniging opgericht. In 1912 verscheen "Totem und Tabu". Hier trad Freud voor het eerst buiten eigenlijk medisch terrein. In 1911-1913 distantieerden Jung en Alfred Adler zich van de psychoanalyse, kort daarop W. Stekel. Met onverminderde kracht zetten Freud en zijn medewerkers het onderzoek voort. Als gevolg van de Anschluss moest Freud in 1938 uitwijken naar het buitenland, waar hij zich in Londen vestigde. Freuds leven en werken worden gekenmerkt door een gestaag volhouden, waarbij hij vaak felle kritiek en grote tegenstand ondervond, maar ook bewijzen van bijzondere erkenning kreeg, vooral in zijn latere jaren. Zijn persoonlijke leven, vooral ook in zijn gezin, was harmonieus. Zijn werkkracht bleef onverminderd ondanks het toenemend lichamelijk lijden gedurende de laatste zestien jaar van zijn leven door kaakcarcinoom, waarvoor hij 33 operaties heeft ondergaan. Zijn taal en stijl munten uit door helderheid en vrij gemakkelijke leesbaarheid.
Zeker reeds vanaf het begin der jaren dertig bleek Freuds betekenis voor en zijn invloed op de cultuur groot en onontkoombaar. Vooral de literatuur en de meeste zogenaamde geesteswetenschappen zijn zonder de psychoanalytische denkwijzen niet meer denkbaar. Met name door zijn dieptepsychologische ontdekkingen is nader inzicht mogelijk geworden op het gebied van de persoonlijkheidsleer, de neurosenleer, de perversies en in tal van sociaal-psychologische verschijnselen. Steeds was hij weer in staat tot revisie van zijn vroegere denkbeelden, getuige het feit dat hij veel minder dogmatisch was dan sommige van zijn leerlingen.
Freud's werken: "Zur Psychopathologie des Alltagslebens" (1901); "Vorlesungen zur Einführung in die Psychoanalyse" (1917, 1921); "Jenseits des Lustprinzips" (1920); "Massenpsychologie und Ich-Analyse" (1921); "Das Ich und das Es" (1923); "Hemmung, Symptom und Angst" (1926); "Die Zukunft einer Illusion" (1927); "Das Unbehagen in der Kultur" (1930); "Neue Folge der Vorlesungen zur Einführung in die Psychoanalyse" (1933); "Selbstdarstellung" (1936); "Der Mann Moses und die monotheistische Religion" (1939).

Fromm, Erich (~)

(1900-1980) In Duitsland geboren Amerikaans psychoanalist en sociaalfilosoof die de invloed tussen psychologie en de maatschappij onderzocht. Door het toepassen van psychoanalytische principes als een middel tegen cultuurziekten, geloofde Fromm dat de mens een psychologisch uitgebalanceerde 'geestelijk gezonde maatschappij' kon ontwikkelen.
Nadat hij in 1922 zijn doctoraal filosofie aan de universiteit van Heidelberg had gedaan, ging Fromm zich bekwamen in de psychoanalyse aan de Universiteit van München en bij het Psychoanalytisch Instituut in Berlijn. Hij begon met de toepassing van de psychoanalyse volgens Sigmund Freud maar nam hier spoedig afstand van, mede door Freud's eenzijdige belangstelling voor onbewuste driften en het consequent negeren van de rol van sociale factoren in de psychologie. Voor Fromm, was de persoonlijkheid een product van iemands cultuur en biologie. Hij had reeds een opvallende reputatie als psychoanalist opgebouwd, toen hij in 1933 Nazi Duitsland verliet om naar Amerika te vertrekken. Daar kwam hij in conflict met kringen van behoudende Freudiaanse psychoanalytici. Van 1934 tot 1941 werkte Fromm aan de faculteit van de Columbia Universiteit, waar zijn inzichten steeds meer omstreden werden. In 1941 was hij lid van de faculteit van Bennington College in Vermont en in 1951 werd hij als professor psychoanalyse benoemd aan de Universidad Nacional Autónoma de México, Mexico City. Van 1957 tot 1961 was hij gelijktijdig professor aan de Michigan State universiteit, East Lansing en tenslotte keerde hij in 1962 terug naar New York als professor psychiatrie aan de New York universiteit. In verschillende boeken en geschriften, als eerste zijn werk van 1930 over de ontwikkeling van de Christelijke doctrine en symbolisme, introduceerde Fromm het inzicht dat voor het begrijpen van de basisbehoefte van de mens, het noodzakelijk is de mens en zijn gemeenschap zelf te begrijpen. Fromm stelde dat sociale systemen het moeilijk maken, zo niet onmogelijk de verschillende behoefte te gelijkertijd te bevredigen, waardoor zowel persoonlijke als meer omvattende sociale conflicten ontstaan. In Fromm's eerste belangrijke werk, "Escape from Freedom" (1941), bracht hij de groei van de menselijk vrijheid en zelfbewustzijn, van de Middeleeuwen tot de moderne tijd, in kaart en gebruikte analytische technieken om de tendens van de moderne geëmancipeerde mens aan te geven, om te vluchten voor zijn onzekerheden, zoals de overgang naar een totalitair systeem zoals het Nazisme. In de "Sane Society" (1955), introduceerde Fromm het argument dat de moderne mens zich vervreemd en verwijderd van zichzelf, door de consumentgerichte industriële maatschappij. Fromm riep op tot een wedergeboorte van de Verlichting, zoals een nieuwe perfecte gemeenschap waarin elke persoon zijn persoonlijke behoefte kon bevredigen met behoud van gevoel en bindingen van sociaal broederschap. Fromm's volumineuze werken van de menselijk natuur, ethiek en liefde trok de interesse van sociale wetenschappers en van een breed publiek van lezers.
Hij schreef ook boeken met kritiek en analyses van het Freudiaanse en Marxistische gedachtegoed, over psychoanalyse, en het geloof. Andere boeken van hem zijn: "Man for Himself" (1947), "Psychoanalysis and Religion" (1950), "The Art of Loving" (1956), "May Man Prevail? " (1961,met D.T. Suzuki en R. De Martino), "Beyond the Chains of Illusion" (1962), "The Revolution of Hope" (1968), en "The Crisis of Psychoanalysis" (1970).

fully-functioning person (~)

Term van Carl Rogers. Hij sprak van een 'volledig functionerend mens' als zelfbeeld en zelfideaal samenvallen. Doordat de persoon is opgegroeid met onvoorwaardelijke positieve waardering, voelt hij zich geheel geaccepteerd zoals hij is. Er is ook sprake van zelfaanvaarding. Hij kan zich vrij, congruent, verder ontplooien

functionele analyse (functional analysis)

Term uit de gedragstherapie. De cliënt wordt geïnstrueerd meer naar zijn eigen gedrag te kijken en per situatie of gebeurtenis waarover hij niet tevreden is een beschrijving te geven van wat er precies is voorgevallen.


- G -

gedachte onttrekking (thoughts withdrawal)

Zoals de schizofrene of psychotische patiënt meent dat gedachten uit zijn hoofd worden gehaald.

gedachte uitzending (thoughts radiation)

Zo heeft de schizofrene of psychotische patiënt het idee dat anderen zijn gedachten kunnen opvangen.

gedachteblokkade (obstruction of thought)

Als een patiënt zonder aanleiding ineens kwijt is waarover hij aan het denken was.

gedachtenexperiment (experiment of thoughts)

1. Ook wel imaginatie-experiment. Indien men een situatie die in de werkelijk niet is na te bootsen (of zich beter niet laat nabootsen) kan men wel in gedachten de situatie oproepen en we noemen dit een gedachtenexperiment. In de cognitieve therapie wordt dit bijvoorbeeld gebruikt om bij een patiënt met Post Traumatische Stress (PTSS) op een veilige plaats, onder begeleiding van een cognitief therapeut gevraagd de gewraakte stresssituatie op te roepen. De functie hiervan is om op deze manier de gevoelens 'op nieuw' te beleven en gevoelens van stress en angst te verminderen.
2. In algemene zin in het gedachtenexperiment interessant om het voorstellingvermogen van mensen te prikkelen bijvoorbeeld in het onderwijs of in andere leersituaties.

gedrag (behaviour)

In het gewone taal gebruik wordt onder gedrag verstaan het uitwendig, constateerbaar handelen. In de psychologie verstaan we tegenwoordig onder gedrag: 'Een betekenisvolle reactie op een betekenisvolle situatie' (J.W.G. Orlemans, e.a.,1997). De term 'betekenisvol' onderscheidt het gedrag van andersoortige reacties op stimuli zoals de kniepeesreflex of de spijsvertering. Betekenisvol geeft aan dat het gaat om de cognitieve verwerking (bewust en onbewust) in plaats van het louter reageren op een fysieke stimuli. Het gedrag van levende organismen kan in zijn algemeenheid beschouwd worden als een zeer complex gebeuren, doordat het gedrag onderhevig is aan een ingewikkelde combinatie van erfelijke aanleg, biologische behoeften en leren. De studie naar het gedrag van mensen is het object van de psychologie.

gedragsbeoordelingsinstrument (behaviour assessment instrument)
Afgekort: GBI (A.W. Vermeul-van Mullem, 1975). Psychologische gedragstest. Populatie: jongens van 9 t/m 12 jaar in leefgroepsituaties, voornamelijk lbo-niveau. Meetpretentie: beoordeling van sociaalprobleemgedrag, ondersteuning van diagnostische en interactieprocessen. Afname: individueel. De obeservatieschaal bestaat uit 120 zevenpuntsschalen waarop de beoordelaar steeds een gedragsaspect van de jeugdige moet scoren. De schalen vormen samen 10 min of meer geïntercorreleerde gedragspatronen (gebaseerd op voorlopige patronen van Stott). Het aantal gedragingen (schalen) per persoon varieert van 5 tot 16. De schaal heeft een communicatieve, een in-service-training, een diagnostische, een evaluatieve, een research- en een opleidingsfunctie. Het verkorte GBI bestaat uit 24 schalen en dient onder meer als selectie-instrument voor beoordeling met het volledige GBI. COTAN beoordeling (1982): betrouwbaarheid: voldoende; begripsvaliditeit: voldoende; criteriumvaliditeit: onvoldoende (A. Evers e.a., 2000).

gedragsgenetica (behavioural genetics)
Concentreert zich op onderzoek naar de invloed van de erfelijke aanleg op gedrag.

gedragsmodificatie (behaviour modification)
Toepassing van het behaviorisme waarbij ongewenst gedrag via reinforcement-principe wordt omgezet in gewenst gedrag.

gedragsobservatie (observation of behaviour)

Is een diagnostische methode waarbij meer of minder systematische waarnemingen worden gedaan van gedragingen van cliënten. Er zijn diverse soorten gedragsobservaties, die van elkaar kunnen verschillen in 'wie' de observator is, 'waar' de observaties plaatsvinden, 'wat' geobserveerd wordt en 'hoe' de observaties worden uitgevoerd.

Gedragsobservatie voor Intramurale Psychogeriatrie (~)

Afgekort: GIP. Gedragsobservatiebeoordelingsschaal. De GIP laat onderscheid toe tussen drie basale syndromen: cognitie-hyporeactiviteit, cognitieontremming en stemming ( P.F.J. Verstraten & C.W.J.M. van Eekelen, 1987).

gedragsproeven (behaviour tests)

Psychologische tests waarbij men concreet gedrag bij personen wil oproepen om dit vervolgens te beoordelen aan de hand van vooraf opgestelde criteria. Het gedrag wordt uitgelokt door kandidaten te confronteren met nagebootste praktijksituaties.

gedragsstoornissen (behaviour disorders)

1. Kinderen die zich storend, impulsief of agressief gedragen, zijn niet noodzakelijk gedragsgestoord. Men kan maar spreken van een gedragsstoornis wanneer er sprake is van een zich herhalend en aanhoudend gedragspatroon bij kinderen, waarbij sociale regels en normen worden overtreden. Enkele symptomen zijn: pesten, vechten, stelen, liegen, brand stichten, van huis weglopen, spijbelen, inbreken, enzovoorts. Kinderen met gedragsstoornissen zijn meestal niet in staat om positieve relaties te onderhouden met andere kinderen en met volwassenen. Nogal vaak hebben ze een lager IQ en presteren ze op school ondermaats. Hyperactiviteit en aandachtsstoornissen komen frequent voor bij gedragsgestoorde kinderen.
Bij gedragsstoornissen onderscheidt men de gedragsstoornis in engere zin (of 'conduct disorder') en het oppositioneel-opstandig gedrag. Deze laatste kan als voorloper gezien worden van de conduct disorder. Het aantal kinderen en jongeren met antisociaal gedrag wordt in West Europa geschat op zo'n 4 tot 10 procent van een populatie. Daarmee is het de meest voorkomende psychische problematiek bij kinderen en adolescenten. Gedragsstoornissen komen meer voor bij jongens dan bij meisjes en vaker bij kinderen van ouders uit lagere sociaal-economische klassen. Antisociale gedragsstoornissen blijken ook vaker voor te komen in stedelijke gebieden dan op het platteland. Verder blijken deze stoornissen in onze westerse samenleving toe te nemen. Kinderen met een antisociale gedragsstoornis hebben zeer vaak ook psychiatrische stoornissen in de volwassenheid, vooral antisociale persoonlijkheidsstoornis. De diagnose van een gedragsstoornis wordt vaak gesteld via de criteria van de psychiatrische classificatie DSM-IV.
2. Bij gedragsstoornissen op latere leeftijd, zoals in de volwassenheid, kan er sprake zijn van gedragsstoornissen die samenhangen
met de persoonlijkheid of andere oorzaken zoals vermeld in het DSM-IV diagnostisch handboek.
3. Indien een persoon geestelijke - of lichamelijke gehandicapt is, wordt veelal niet mee van gedragsstoornissen gesproken.

gedragstherapie (behaviour therapy)

Een vorm van psychotherapie die sinds het begin van de jaren zestig bestaat. Uitgangspunt hierbij is dat ongewenst gedrag is aangeleerd en dus ook weer afgeleerd kan worden. Hierbij wordt onder andere gebruik gemaakt van eenvoudige leerprincipes zoals conditioneren. De therapie is geschikt voor een scala van problemen zoals: angstigheid voor bepaalde situaties (fobie), dwanghandelingen en slechte gewoonten, zoals roken, bedplassen en veel drinken. Psychische klachten zijn soms terug te voeren op negatieve ervaringen in iemands verleden. Door zulke ervaringen kan iemand ook negatieve ideeën over zichzelf krijgen. Factoren in iemands omgeving zijn ook van invloed op psychische klachten. Als iemand in omstandigheden verkeert die het hem of haar moeilijk maken bevredigend te functioneren, kan dat psychische klachten in de hand werken. Het is dan ook belangrijk om zulke omgevingsfactoren te betrekken in de behandeling. Ook belangrijke levensgebeurtenissen zoals een geboorte, echtscheiding of sterfgeval kunnen psychische problemen in gang zetten of verergeren. Soms is het zo dat psychische klachten of problemen gekoppeld kunnen worden aan een bepaalde gebeurtenis of situatie. Als u ooit op straat of in de tram in paniek bent geraakt, kan dat later opnieuw gebeuren als u in dezelfde situatie komt. U heeft als het ware geleerd om in een bepaalde situatie op een bepaalde manier te denken of te handelen. Als dat negatieve gevolgen voor u heeft, kunnen ernstige psychische problemen ontstaan. Het is niet altijd mogelijk om een aanleiding te vinden voor het ontstaan van de klachten. Ook is het meestal niet mogelijk om de aanleiding weg te nemen. In gedragstherapie kan een cliënt leren anders om te gaan met datgene waar hij bang voor is of moeite mee heeft. Met behulp van de therapie kan men nieuwe, positieve ervaringen opdoen: in een relatie, op het werk of in contacten met anderen. Daardoor groeit het zelfvertrouwen en verminderen de klachten. Het voordeel van de behandelwijze is verder dat in relatief korte tijd goede resultaten geboekt kunnen worden. Belangrijke therapeutische technieken binnen de gedragstherapie zijn onder andere systematische desensitisatie, aversietherapie en implosieve therapie (flooding).

gedragsvoorstelling (behaviour representation)

Een beschrijvingswijze van de productieorganisatie die de belangrijkste processen en gebeurtenissen in de organisatie dynamisch weergeeft.

gedragsvormen (models of behaviour)

Een haast onuitputtelijk hoeveelheid van gedragsvormen kan men bij mensen onderscheiden. Hier als voorbeeld G. Hellinga (1979) die aan het werk van Adler drie pathologische gedragsvormen ontleent:
1. Vermijdend type, iemand die telkens maar weer verantwoordelijkheden uit de weg gaat. Met dergelijke mensen is nauwelijks contact te krijgen. Ze zijn ook niet in staat tot het aangaan van stabiele (liefde)relaties.
2. Nemende type, het levensdoel dat deze mensen nastreven is veiligheid en zekerheid verwerven door manipuleren van anderen, waarbij alles van die anderen moet komen. Er wordt niets tegenovergesteld. Adler was van mening dat kinderen die in hun jeugd te veel verwend zijn, een grote kans hebben om tot het nemende type uit te groeien.
3. Heersende type, zijn mensen die geneigd zijn overal een gevecht van te maken. Overcompensatie van reële of vermeende minderwaardigheid in de vroege jeugd zou een belangrijke rol kunnen spelen bij de ontwikkeling van het heersende type.

gedrag, genetisch model (behavior, genetics model)

Dit model is gebaseerd op een eenvoudig additief model waarin de variantie in de zichtbare kenmerken van een organisme, inclusief vaardigheden en vermogens (het fenotype) als een optelling wordt beschouwd van de variantie in genetische kenmerken (het genotype) en van de door de omgeving bepaalde variantie. Dus de variantie in het fenotype (Vp) wordt begrepen als een optelling van de variantie in het genotype (Vg) en de variantie in de omgeving (Vo) of Vp = Vg + Vo.

generalisatie (generalization)

Term uit de conditioneringstechniek. De CR (geconditioneerde respons) wordt niet alleen uitgelokt door de specifieke CS (geconditioneerde stimulus) maar ook door prikkels die er min of meer op lijken.

generalisatie hypothese (generalization hypothesis)

Hierbij gaat men ervan uit dat mensen op dezelfde wijze functioneren in het werk als tijdens de vrijetijd activiteiten.

generaliseerbaarheidcoëfficiënt (generalization ability coefficient)

Deze coëfficiënt geeft aan hoe goed je een uitspraak kunt doen over de populatie als geheel op grond van de getrokken steekproef.

generaliseren (generalization)

Kennis van toepassing verklaren op andere gevallen dan waarbij de kennis gewonnen werd.

gestaltpsychologie (gestaltpsychology)

Een van oorsprong Duitse psychologieschool, die zich vooral bezighield met waarnemingsexperimenten. De theoretische basis en vernieuwing van de Gestaltpsychologie is vooral te danken aan het werk van Max Wertheimer (1880-1943), Wolfgang Köhler (1887-1967) en Kurt Koffka (1886-1941). De Gestaltpsychologie kan gezien worden als een belangrijke stroming binnen de psychologie. Van belang bij deze psychologie is het begrip 'Gestalt'. Er zijn veel verschillende definities van dit begrip. Volgens de Belg George Lambrechts (2003) wordt onder 'Gestalt' verstaan: 'Een geïntegreerd geheel van delen, dat zich in een veld duidelijk aftekent of differentieert onder de vorm van voorgrond en achtergrond'
Max Wertheimer zocht uit ontevredenheid over een tekort aan nieuwe onderwerpen binnen de school, naar nieuwe onderzoeksgebieden en vond dit in het experimenteren met geheugen en waarnemingsdrempels. Hij stootte op het verschijnsel van het 'negatief nabeeld', vertelde dit aan Koffka die daarna als eerste in 1915 de principes van de Gestaltpsychologie publiceerde in zijn werk: "Zur Grundlegung der Wahrnehmungspsychologie". Kurt Köhler had als natuurkundige gestudeerd bij Max Planck en ontdekte het belangrijke principe dat: 'het geheel van dingen meer is dan de som der delen'. Hij vroeg zich af of dit principe (wat voor de natuurkunde gold) ook geldig was bij mensen zoals bij de waarneming. Hij stelde dat wij als mensen immers ook gehele objecten zoals (een kast in plaats van losse planken, een boek in plaats van losse bladen) waarnemen. Köhler schreef hier in 1920 een boek over ("Die psychischen Gestalten in Ruhe und im stationären Zustand, eine naturphilosophische Untersuchung"), een werk wat van fundamenteel belang is geweest voor de verdere ontwikkeling van de Gestaltpsychologie. Door de theorie die Köhler had ontwikkeld werd de Gestaltpsychologie geschikt gemaakt voor de experimenteermethode bij mensen (waarnemen en geheugen), in navolging van principes uit de natuurkunde. Toen Köhler in Duitsland terugkeerde uit het buitenland, was men aan de psychologiefaculteit van de Universiteit van Berlijn enthousiast over zijn werk, maar ook dat van Lewin en Wertheimer. Dit resulteerde in veel Gestaltpsychologisch onderzoek. Köhler in samenwerking met von Restorff ontdekte bij experimenten aan de Universiteit van Berlijn nog diverse andere verschijnselen, zoals bijvoorbeeld het 'von Restorff-effect'. Ook Kurt Lewin, zeer bekend door zijn zeer praktische aanpak binnen de psychologie, werkte in die tijd samen met Wertheimer in Berlijn. De studie van de Gestaltpsychologie was een serieus vakgebied geworden binnen de psychologie en men kon spoedig aan diverse andere universiteiten in Duitsland Gestaltpsychologie studeren. Later werd o.a. door het Duits echtpaar Perls eerst in Duitsland en Zuid-Afrika, en later in Amerika de basis gelegd voor de Gestaltpsychotherapie.


- H -

handeling (action)

Term binnen de handelingstheorie waarbij psychische activiteit wordt opgevat als het uitvoeren van doelgerichte handelingen aan
objecten.

handelingsmogelijkheden (affordances)

Bij motorische ontwikkeling het resultaat en tegelijkertijd het gevolg is van een zeer specifieke interactie tussen de actiemogelijkheden van het lichaam en de kenmerken van de omgeving (J.J. Gibson, 1979).

handelingstheorie (action theory)

Opvatting over leren die leren opvat als het verwerven van nieuwe mentale handelingen onder invloed van instructie. Zie o.a. 'Gibsons handelingstheorie' en 'cognitieve ontwikkeling, volgens Piaget'.

handelingstructuur (action structure)

De opbouw van de (mentale) handeling die ten grondslag ligt aan een waarneembare leerprestatie.

holisme (holism)

(Grieks: 'holos' = geheel). Hiermee wordt bedoeld dat de aandacht, bijvoorbeeld in lichaamstherapie, psychotherapie of vormen van sporttraining gericht wordt op het geheel, zoals bijvoorbeeld de psychische en lichamelijke aspecten of de psychische en sociale aspecten van de persoon in kwestie. Vanuit de tegenwoordige inzichten van de psychologie wordt de mens gezien als een biopsychosociaal wezen en lijkt een holistische benadering een voor de hand liggende aanpak om alle dimensies voldoende tot hun recht te laten komen.

Horney, Karin (~)

(1885-1952) In Duitsland geboren Amerikaanse psychoanalyste, die oorspronkelijk uitging van de basisprincipes van Freud, maar later stelde dat eerder omgeving en sociale factoren dan biologische drijfveren, van belang zijn voor iemands persoonlijkheid, en tegelijkertijd een hoofdoorzaak kunnen zijn voor neuroticisme en persoonlijkheidstoornissen.
Nadat ze in 1912 aan de universiteit van Berlijn als psychologe afstudeerde, kreeg ze haar psychoanalytische vorming bij Karl Abraham, een collega en vriend van Sigmund Freud. Ongeveer vanaf 1915 deed ze vijf jaar klinisch werk en werkte onder andere in Berlijnse ziekenhuizen. Vanaf 1920 tot 1932 had ze haar eigen praktijk en doceerde aan het Berlijns Psychoanalytisch Instituut. Ze ging daarna naar de Verenigde Staten om assistent-professor te worden bij het Instituut voor Psychoanalyse in Chicago. In 1934 vertrok ze naar New York om haar privépraktijk weer op te pakken en doceerde ze aan de New School for Social Research. Daar schreef ze haar belangrijkste theoretische werken zoals: "The Neurotic Personality of Our Time" (1937) en "New Ways in Psychoanalysis" (1939), waarin ze belangrijke basisprincipes van Freud's psychoanalyse ter discussie stelde, zoals haar hypothese dat neuroticisme ontstaat 'door verstoring van intermenselijke relaties'. In het bijzonder maakte Horney bezwaar tegen Freud's concepten zoals het libido, doodsinstinct en penisnijd waarvan ze vond dat deze beter uitgelegd konden worden door de sociale en culturele condities in aanmerking te nemen. Ze maakte bezwaar tegen het idee van penisnijd, waardoor de vrouwenpsychologie niet méér werd dan een afstammeling van de mannenpsychologie en dat vrouwenpsychologie niet in staat was geslachtsonderscheidend gedrag te verklaren. Horney geloofde dat de primaire oorzaak voor het zich later ontwikkelen van neuroticisme, iemands angstige jeugdervaringen zijn, een jeugdperiode waarin het kind zich 'geïsoleerd en hulpeloos voelt in een potentieel vijandige wereld'. De diverse strategieën die het kind zich eigen maakt om met angst om te gaan kan zich eventueel 'vastzetten' en irrationeel worden, waardoor neurosen en persoonlijkheidsstoornissen ontstaan. Veel van Horney's ideeën, ontstonden tijdens haar lange klinische praktijk en werden vertaald naar een nieuwe benadering van de psychoanalytische therapie. Ze dacht patiënten te helpen door het achterhalen van de oorzaak van hun huidige angstklachten. Ze vond dat het even belangrijk was, als doel van de psychoanalyse, om het 'dagelijks leven' te betrekken; de problemen van alle dag diende eveneens om de emotionele stadia en fantasieën uit de kindertijd te reconstrueren. In veel gevallen geloofde ze dat patiënten zelf hun eigen analyst konden zijn. Haar weigering om de strikte Freudiaanse leer aan te hangen veroorzaakte dat Horney's in 1941 geroyeerd werd uit het New York Psychoanalytisch Instituut, waardoor ze vrij was een nieuwe groep op te richten welke de 'Association for the Advancement of Psychoanalysis' werd genoemd. Ze bleef schrijven, bijzonder begaafd en authentiek overigens (noot: schrijver), zoals de boeken: "Our Inner Conflicts" (1945) en "Neurosis and Human Growth" (1950) waarin ze haar denkbeelden verder ontvouwde. Horney's analyse van de oorzaken en dynamica van het neuroticisme en haar vernieuwde ideeën van Freud's persoonlijkheidstheorie is tot op heden invloedrijk gebleken.

hot cognition (~)

Visie op cognitie waarbij de invloed van affectieve processen op informatieverwerking betrokken wordt in de studie van cognitieve processen.

Hull, Clark Leonard (~)

(1884-1952) Amerikaans psycholoog bekend om zijn experimentele studies over leren en zijn pogingen om de psychologische theorie, in wiskundige termen te beschrijven. Hij paste een deductieve redeneermethode toe zoals gebruikelijk in de meetkunde, en stelde voor dat een serie beweringen over de psychologie ontwikkeld en van daaruit logische conclusies afgeleid en gecontroleerd konden worden. Als een testcontrole mislukte, kon de bewering worden aangepast en als de testcontrole slaagde dan kon de bewering worden toegevoegd aan het raamwerk van de psychologische wetenschap.
Als student aan de universiteit van Michigan in Ann Arbor, kreeg Hull interesse in de psychologie en ontving in 1918 zijn doctoraal aan de universiteit van Wisconsin, Madison. Hij ging toen bij de faculteit in Winconsin werken en hield zich bezig met het voorspellen en meten van persoonlijke aanleg, wat in 1928 tot zijn eerste publicatie "Aptitude Testing" (1928) leidde. Hij kreeg interesse in hypnose, nadat hij in 1929 op dit gebied experimenten bijwoonde en verbonden was aan het Instituut voor Human Relations aan de Yale Universiteit. Het resultaat van zijn nauwgezette wetenschappelijke studies vormde in 1933 de basis voor zijn "Hypnosis and Suggestibility". Tijdens de beginjaren aan Yale, begon Hull zijn globale gedragstheorie te formuleren, die hij op verschillende principes baseerde en vanuit een verschillende basis. Hij nam bepaalde concepten over zoals conditioneren van de Russische arts Ivan Pavlov en verder van Amerikaanse psychologen zoals John B. Watson, die de nadruk legde op de objectieve kant van gedragsstudies en Edward L. Thorndike, die het belang benadrukte van de bekrachtiging bij leren. De bekrachtigingstheorie voor leren vormde de basis voor het belangrijkste deel van Hull's werk. De theorie verklaart gedrag in termen van stimuli en reacties, die met elkaar verbonden worden tijdens het leerproces. De neiging om een verbinding te leggen wordt versterkt als bekrachtiging wordt gegeven, dat wil zeggen als de reactie een fysiologische of psychologische behoefte bevredigt. Als een behoefte zoals honger bijvoorbeeld minder sterk is, zoals een dier dat tijdens een laboratoriumproef verzadigd wordt, heeft de bekrachtiging (bijvoorbeeld voedsel) minder effect en het dier presteert minder goed op leertaken. Aan de andere kant veronderstelde Hull dat dieren sneller zouden leren naarmate de fysiologische behoefte of drijfveer sterker is, en naarmate de bekrachtiging de stimulus sneller opvolgde; dit laatste heeft hij via experimenten later bevestigd. Volgens Hull kon complex gedrag verklaard worden door een serie van simpele reactie-mechanismen. Hull's leertheorie werd voor het eerste weergegeven in "Mathematico-Deductive Theory of Rote Learning" (1940), geschreven in samenwerking met zijn medewerkers. Hierin gaf hij zijn ervaringen en beweringen weer in zowel wiskundige als verbale termen. Hull geloofde dat de psychologie zijn eigen wetten met grootheden had en in wiskundige vergelijkingen waren uit te drukken. Hij ontwikkelde deze ideeën verder in "Principles of Behavour" (1943), waarin hij stelde dat de stimulus-responsverbinding afhankelijk was van zowel de soort- als de hoeveelheid bekrachtiging. Zijn blijvende nalatenschap aan de psychologie is vooral zijn denken over de gedragsbenadering, en minder zijn specifieke theorieën.

Husserl, Edmund (~)

(1859 - 1938) Duits filosoof, stichter van de wijsgerige fenomenologie, studeerde astronomie, wiskunde en fysica te Leipzig en te Berlijn en promoveerde in 1882 te Wenen op het filosofisch-mathematische proefschrift "Beiträge zur Variationsrechnung".
Onder invloed van Franz Brentano ging Husserl de filosofie als zijn eigenlijke levensroeping zien. Uit joodse ouders geboren, werd Husserl in 1886 lutheraan. In 1901 werd hij extraordinarius te Göttingen en, na daar in 1906 met veel moeite een persoonlijke leerstoel te hebben verworven, in 1916 opvolger van Rickert te Freiburg im Breisgau. Husserl, die tijdens zijn leven betrekkelijk weinig publiceerde, liet bij zijn dood 40.000 bladzijden aan manuscripten na. In 1938 redde H.L. van Breda (1911-1974) deze nalatenschap uit nationaal-socialistische handen en bracht ze naar Leuven, waar hij een Husserl-archief stichtte, uitgegeven in de volumineuze serie Husserliana. In Husserls carrière en werk valt een aantal tegenstrijdigheden op. Vooreerst is er in zijn lange loopbaan de teneur van de fenomenologie; deze lijkt heen en weer te gaan tussen realisme en idealisme. Terwijl Husserl omstreeks 1910 uiteindelijk de idealistische richting koos, overheerste bij zijn belangrijkste adepten veeleer een meer realistische boventoon. Vervolgens is daar de idee van de methode die fenomenologisch zou moeten zijn, en waaraan Husserl heel zijn leven verbeten heeft gewerkt. Bij gebrek aan heldere regels lijkt de fenomenologie methodisch echter min of meer mislukt; allerlei fenomenologisch geïnspireerde denkers hebben er, op onderling zeer uiteenlopende manier, gebruik van gemaakt: als van een koers, niet als van een strak procédé. In de laatste tien jaar van zijn leven ontwikkelde Husserl, deels onder invloed van Dilthey, het begrip leefwereld (Lebenswelt). Deze notie zou vooral door het succesvolle werk van Sartre en Merleau-Ponty ook na de Tweede Wereldoorlog een vruchtbare rol spelen in de zgn. existentiële fenomenologie (zie existentiefilosofie). Maar ook Habermas en een aantal Britse en Amerikaanse aanhangers van de analytische filosofie voelen zich erdoor geïnspireerd. In Husserls gepubliceerd werk bleef het echter een marginaal aspect. In zijn eerste publicaties, "Über den Begriff der Zahl" (1887) en "Philosophie der Arithmetik" (1891), was Husserl nog psycholoog. Hij meende de oorsprong van de grondbegrippen van de wiskunde te kunnen vinden in een analyse van het subjectieve bewustzijn. Later zag hij in dat dergelijke apriorische begrippen in geen enkele empirische beschrijving gefundeerd kunnen worden, omdat ze een boventijdelijke geldigheid bezitten. In het eerste deel van zijn Logische Untersuchungen (1901) toont Husserl op scherpzinnige wijze aan dat men absoluut geldende wetten, zoals die van de logica, niet kan funderen in een empirisch-inductief onderzoek. Pas in 1900 verruilde hij de term 'beschrijvende psychologie' voor 'fenomenologie'. Husserls latere ontwikkelingsgang wordt vooral bepaald door het probleem hoe de wezensanalyse van het bewustzijn, zoals de descriptieve psychologie die biedt, zich verhoudt tot de empirische verklarende psychologie, die Husserl, overeenkomstig het dominerende experimenteel-positivistische karakter ervan, als een natuurwetenschap zag. In zijn "Ideen zu einer reinen Phänomenologie und phänomenologischen Philosophie" (1913) geeft Husserl voor dit probleem een radicaal idealistische oplossing. Het bewustzijn opvatten als psychofysische eenheid, verraadt een 'natuurlijke instelling'. Dit is een instelling die aan de materiële natuur, die in werkelijkheid slechts een afhankelijk bewustzijnscorrelaat is, een van het bewustzijn onafhankelijk bestaan toekent. Het bewustzijn, dat in feite de oorsprong van de materiële natuur is, beschouwt men dan uiteindelijk als een in die natuur gefundeerde realiteit. Slechts door een uitschakeling van deze instelling, door Husserl 'transcendentale reductie' genoemd, is een radicale overwinning van het naturalisme mogelijk. In Husserls laatste werk, "Die Krisis der europäischen Wissenschaften und die transzendentale Phänomenologie" (1936, 21954), trok vooral zijn theorie van de 'Lebenswelt' de aandacht. Dit is een beschrijving van de wereld zoals die gegeven is in de alledaagse, pretheoretische ervaring en die volgens Husserl ook voorondersteld blijft bij elke wetenschapsbeoefening.


- I -

iatrogenese (iatrogenesis)

Veroorzaakt door van 'iatrogene effecten'..

iconisch geheugen (iconic memory)

Kortetermijngeheugen. Na een korte aanbieding van gegevens blijven deze gedurende circa 1 seconde in het iconische geheugen beschikbaar voor inspectie door de persoon.

impliciet geheugen (implicit memory)

Informatie die in het impliciet geheugen is geregistreerd, kan het gedrag van proefpersonen beïnvloeden zonder dat deze informatie expliciet behoeft te worden gereactiveerd.

impliciete-persoonlijkheidskenmerken (implied personality dispositions)

Schema over persoonlijkheidskenmerken waarin relaties tussen deze kenmerken zijn aangegeven.

implosieve therapie (implosive therapy)

Zie flooding.

impulsbeheersing (impuls control)

Het geen of onvoldoende beheersing hebben over bepaald gedrag.

incentive (incentive)

Een prikkel die uitgaat van de kwantitatieve en/of kwalitatieve eigenschappen van een doelobject en waardoor het individu aangetrokken wordt.

incidenteel geheugen (incidental memory)

Indien informatie zodanig in het geheugen wordt geregistreerd dat zij een aantoonbare invloed heeft op later gedrag, en indien het opslaan van deze informatie plaatsvindt zonder dat er sprake is van een expliciete leerintentie, dan wordt een dergelijk leerproces aangeduid als incidenteel leren.

incoherentie (incoherency)

Hiervan is sprake als verbale uitingen voortkomen uit opvallende denkstoornissen zoals onsamenhangde of verwarde gedachten zoals bij psychotische stoornissen.

indringende gedachten (intrusive thoughts)

Zich steeds weer opdringende gedachten (vaak na een trauma).

informatieverwerkend systeem (information processing system)

De mens is in principe een informatieverwerkend systeem. In de cognitieve psychologie gaat men ervan uit dat de mens als informatieverwerkend systeem vergeleken kan worden met een 'computer' die informatie verwerkt.

inhibitorische conditionering (inhibitoric conditioning)

Een proces waarbij de voorwaardelijk reactie wordt onderdrukt.

integratie (integration)

Het maken tot of opnemen in een geheel. Het ordelijk samenvatten, combineren en associëren van informatie zodat een ordelijk en overzichtelijk geheel ontstaat.

intelligent gedrag (intelligent behaviour)

Gedragingen die gebaseerd zijn op beredeneerde overwegingen.

intelligentie (intelligence)

De vaardigheid goed problemen op te kunnen lossen, goed te kunnen leren, veel te weten en effectief keuzes te kunnen maken. Het is zoiets als verstandelijk vermogen, schranderheid of competentie. Binnen de psychologie is het nog niet gelukt een sluitende omschrijving te geven van wat het begrip intelligentie nu precies inhoudt. Dit heeft bijvoorbeeld geleid tot de uitspraak dat intelligentie 'datgene is wat een intelligentietest meet'. Intelligentie wordt daarmee verengd tot het vermogen goed te presteren op school. Er zijn een groot aantal verschillende intelligentietheorieën opgesteld. Een belangrijk onderscheid dat daarbij gemaakt kan worden is uit hoeveel verschillende factoren intelligentie bestaat, of intelligentie samenhangt met de naaste (sociale) omgeving of samenhangt met eigen potenties, en of het gaat om te onderscheiden onderdelen van intelligentie of juist om de combinatie van factoren, enzovoorts.
1. Charles Edward Spearman (1863-1945) meende dat er één algemene factor, de g-factor of generale factor, ten grondslag ligt aan intelligentie. Dit is het vermogen verbanden op te merken en af te leiden, of met andere woorden: het analyserend vermogen. Daarnaast zijn bij het uitvoeren van taken ook specifieke vaardigheden noodzakelijk, die omschreven werden als de s-factor of specifieke factor.
2. De Amerikaanse psycholoog Louis L. Thurstone (1887-1955) verwierp de tweefactorentheorie van Spearman. Hij stelde er een meer- of multi-factorentheorie tegenover. Volgens hem bestaat intelligentie uit zeven 'primaire vaardigheden': Woordenschat, Taalbeheersing, Rekenvaardigheid, Ruimtelijk inzicht, Waarneming, Geheugen, en Abstract redeneren.
3. De Amerikaan John P. Guilford (1897-1987) ontwikkelde een model waarin nog veel meer intelligentiefactoren onderscheiden werden (oorspronkelijk 120, later zelfs 150). Volgens hem heeft iedere mentale taak drie facetten: de mentale handeling of operatie, de inhoud, en het product of de uitkomst. De operaties verdeelde hij verder onder in vijf delen: Cognitie of kennisverwerving, Geheugen, Divergent denken, Convergent denken en Evaluatie. De inhoud werd eveneens in vijf delen gesplitst: Visueel, Auditief, Gedragsmatig, Symbolisch of Semantisch. Tenslotte werden er nog zes producten mogelijk geacht: Eenheden, Klassen, Verbanden, Systemen, Transformaties en Implicaties. Bij elkaar leidt dit tot 5 x 5 x 6 ofwel 150 mogelijke mentale vermogens.
4. Volgens de triarchische theorie van de menselijk intelligentie kunnen drie intelligentiestijlen worden onderscheiden: de Analytische, de Creatief-synthetische en de Praktische stijl. In deze theorie wordt ingegaan op de diverse stijlen die bij intelligentie een rol spelen en het feit dat wat velen (leken en professionals) intelligentie noemen vaak meer te maken heeft met wat men kent of ervaren heeft als dat het objectief ook als intelligentie te beschouwen is. Een intellectueel effectief individu is volgens deze theorie iemand die uiteindelijk ontdekt wat zijn of haar sterke kanten zijn en weet hoe die sterke punten het beste benut kunnen worden, terwijl hij of zij zwakke kanten compenseert of streeft naar een mogelijke verbetering daarvan. Volgens deze theorie is een hoge testscore niet nodig om slim en effectief te zijn (R.J. Sternberg, 1985, 1988).
5. Leerpotentieel als graadmeter van de intelligentie: Vygotsky's zone van de naaste ontwikkeling. Het feitelijk ontwikkelingsniveau wordt volgens Vygotsky bepaald door de functies die al zijn gerijpt; het betreft de eindproducten van de ontwikkeling op dat moment. De zone van de naaste ontwikkeling heeft betrekking op functies die nog niet rijp zijn, maar in het rijpingsproces verkeren (L.S. Vygotsky (zie foto), 1896-1934).
6. Potentieeltheorie van intelligentie. Het kenmerkende theoretisch begrip hierin is 'potentieel'. Dit is wat er 'in iemand zit' op een omschreven gebied van kunnen, maar dan in de betekenis van wat op een bepaalde leeftijd nog haalbaar is of zou zijn, in de veronderstelling dat alles vanaf die leeftijd zou meezitten. Intelligentie is hier niet gebiedsgebonden en wordt intelligentie in deze theorie opgevat als iemands 'algemeen verstandelijk vermogen'. Dat vermogen is overal bruikbaar waar nieuw problemen rijzen, die met gebruik van het verstand kunnen worden opgelost het gaat in feite om effectief 'cognitief functioneren'. (A.D. de Groot, 1980,1985).
7. De ontwikkeling van de intelligentie als mentale aanpassing aan nieuwe situaties: de theorie van Jean Piaget. Hierbij wordt de cognitieve ontwikkeling beschreven als een verandering in het mentale apparaat gedurende de levensloop. Dit is een kwalitatieve benadering waarbij het gaat om processen die ten grondslag liggen aan intelligent functioneren. Men kan hierdoor inzicht krijgen in de veranderde manier van probleemoplossen gedurende de menselijke ontwikkeling. Men is niet uitsluitend geïnteresseerd in de score op een test, maar poogt een beschrijving te geven van de basisstructuren en het functioneren van intelligentie (J. Piaget, 1896-1980). (W. Tomic e.a., 1997)

intentionaliteit (intentionality)

1. Expressies en handelingen worden geacht een bepaalde bedoeling, betekenis, motief of intentie uit te drukken.
2. Wilsmatig handelen vanuit tevoren gestelde doelen, gericht op iets buiten degene die handelt.
3. De Duitse filosoof Franz von Brentano (1838-1917) wordt gezien als de grondlegger van de Aktpsychologie, en ontstaat gerichtheid (intentionaliteit) doordat het 'ik' bepaalde handelingen uitvoert.

interactie-effect model (~)

Een factor werkt in op een factor B. Afhankelijk nu van de aan- of afwezigheid van een derde factor C, zal het effect B zich uitdrukken in de vorm B1 of B2. Voorbeeld: A = frustratie, B1 = regressie (hoog angstig), B2 = agressie (laag angstig).

interactieprocesanalyse (interaction process analysis)

Theorie van R.F. Bales (1950), afgekort : IPA. Een observatiesysteem voor de interactie tussen groepsleden. Volgens Bales moeten mensen die samen aan een taak gaan werken, twee hoofdzaken regelen:
1. zaken die te maken hebben met de manier waarop de taken in de groep moeten worden aangepakt: de taakgerichte of instrumentele processen;
2. zaken die te maken hebben met de manier waarop de groepsleden met elkaar willen omgaan: de expressieve of sociaal-emotionele processen.
De beide processen vormen de grondslag van het IPA-observatiesysteem en kent twaalf gedrags- of interactiecategorieën, verdeeld in taakgerichte (1-6) en sociaal-emotionele (7-12) aspecten. Elke eenheid van (non-)verbaal gedrag van de groepsleden (een opmerking, bewering, vraag, gelach en dergelijke) wordt door observatoren in één van de twaalf categorieën gescoord. De categorieën (1-12) zijn: geven van: suggesties, opinies en informatie; vragen naar: suggesties, opinies en informatie; positief: ondersteunt, is ontspannen en stemt in; negatief: valt af , is gespannen en stemt niet in.

interferentie (interference)

Inmenging, wederzijdse beïnvloeding die belemmerend of versterkend kan werken.
1. Interferentie als belemmering kan optreden doordat verschillende geheugeninhouden op hetzelfde moment actief zijn. We spreken van retroactieve interferentie als de invloed plaatsvindt tussen leren en reproduceren. Als de storende invloed vooraf ging aan het leerproces noemt men dit proactieve interferentie.
2. Het stoppen van een respons op een stimulus, doordat verschillende reacties op één stimulus aangeleerd zijn die met elkaar interfereren.

interne attributie (internal attribution)

De toeschrijving van gebeurtenissen aan oorzaken die bij de uitvoerder van het gedrag gelegen zijn.

interne beheersingsoriëntatie (internal locus of control)

Vindt plaats bij mensen als zij zelf denken door eigen inspanning en capaciteiten in het algemeen in staat te zijn om invloed uit te oefenen op wat er met hen gebeurt.

interoceptieve exposure (interoceptive exposure)

Wordt gebruik bij cognitieve therapie en heeft tot doel dat de patiënt zich blootstelt aan lichamelijke symptomen waarvoor hij/zij bang is.

intrusies (intrusions)

Zijn onvrijwillige (dwang)gedachten of beelden die zich aan het bewustzijn opdringen. In het bijzonder zouden de onbedoelde intensies uit het geheugen niet worden getoetst aan objectieve informatie. Deze cognitieve theorie is nauw verbonden met neurogenetische opvattingen van schizofrenie, waarin stoornissen in het gebied van de hippocampus en in het dopamine neurotransmitter systeem centraal staan.


- J -

James, William (~)

(1842-1910) Amerikaans filosoof en psycholoog, en leider van het filosofische Pragmatisme en van het psychologische Functionalisme.
James probeerde eerst een studie in de kunst maar ging spoedig naar de Lawrence Scientific School aan de Harvard universiteit, waar hij uiteindelijk medicijnen ging studeren. Onderbrak zijn studie voor een expeditie onder leiding van Louis Agassiz naar het Amazone gebied. Vervolgde zijn studie en ging in 1867-'68 voor cursussen naar Duitsland bij onder andere de fysioloog Herman von Helmholtz, Rudolf Virchow en Claude Bernard. Kwam daar onder de invloed van Charles Renouvier, een Kantiaans idealist en relativist wiens werken van grote invloed zijn geweest op James persoonlijke leven. In 1869 studeerde hij af echter door zijn slechte gezondheid kon hij pas later actief worden en werd in 1872 aangesteld als fysiologie docent aan Harvard. James werd steeds meer geïnteresseerd in een nieuw vakgebied de fysiologische psychologie. In 1878 na zijn huwelijk brak een nieuwe periode voor James aan. De jarenlang slepende zenuwzwakte verdween praktisch geheel en maakte veel energie vrij om te werken. In 1880 besloot hij een boek over psychologie te gaan schrijven, wat in 1890 als een veelzijdig en monumentaal werk werd gepubliceerd als: "The Priciples of Psychology". Dit werk was uniek voor zijn tijd en een fundament voor het functionalisme binnen de psychologie. Het bracht verbanden tot stand tussen de mentale wetenschappen en de biologie, behandelde denken en kennis als instrumenten in de strijd om te overleven, maar maakte ook gebruik van de psychofysica en verdedigde de mens met zijn eigen 'vrije wil'. In die tijd richtte James zich steeds meer op de filosofische kant van zijn vakgebied, schreef en publiceerde veel en zo had hij in 1898 de filosofische concepten van het Pragmatisme ontwikkeld. In 1906 werd James gevraagd om aan de Stanford universiteit in Californië te gaan doceren. In 1907 gaf James zijn laatste lezingen aan Harvard. Voor de psychologie moet James werk gezien worden als gedateerd, echter gedateerd zoals Galileo's werk in de fysica en Charles Darwin's werk in de biologie, omdat zijn werk origineel en veelzijdig is.
Zijn werken zijn o.a.: "The Will to Believe and Other Essays in Popular Philosophy (1897)", "Pragmatism: A New Name for Old Ways of Thinking (1907)"; "Essays in Radical Empiricism (1912)" en "The Principles of Psychology (1890)". Werken over James zijn o.a.: "The Thought and Character of William James", 2 delen (1935, herdruk in 1974); "William James (1967)", a sympathetic popularization; "A Stroll with William James (1983)"; "The Compromised Scientist: William James in the Development of American Psychology (1983)"; "William James: His Life and Thought (1986)"; "The Center of His Vision (1988)", "The Jameses (1991), a study of the family".

Jaspers, Karl (~)

(1883-1969) Duits filosoof, afkomstig uit een liberaal luthers gezin, koos aanvankelijk voor een rechtenstudie, maar schakelde over naar medicijnen (vnl. te Heidelberg). Een chronische longziekte dwong hem tot een rigide levenswijze; deze zwakke gezondheid en een reflexieve instelling brachten hem tot de psychiatrie en zouden ook zijn uiteindelijke keuze voor de filosofie bepalen. Zijn eerste grote werk, "Allgemeine Psychopathologie", verscheen in 1913. In 1916 werd hij hoogleraar in de psychiatrie te Heidelberg. Het existentiebegrip, ontleend aan Kierkegaard (van grote invloed op zijn denken), introduceerde hij in 1916. In 1919 publiceerde hij zijn "Psychologie der Weltanschauungen", gebaseerd op Dilthey's "Typologie der Weltanschauungen". Dit werk markeert Jaspers' overgang van de psychologie naar de filosofie. In 1920 raakt hij intellectueel bevriend met Heidegger, voor wie hij in de jaren twintig een echte gesprekspartner was (diens toenadering tot de nazi's zou in 1932 hun contact verbreken). In 1921 verkreeg Jaspers een professoraat in het toen neokantiaanse Heidelberg. In 1937 werd hij als hoogleraar ontslagen omdat hij, getrouwd met een joodse vrouw, blijk gaf van een vijandige gezindheid jegens het nationaal-socialistisch bewind, maar in 1945 werd hij in zijn ambt hersteld. Jaspers raakte zo teleurgesteld over de moeizame ommekeer in Duitsland na twaalf jaar nazisme, dat hij in 1948 naar de universiteit van Basel vertrok: zonder zich overigens af te keren van Duitse aangelegenheden. Integendeel, met politieke betrokkenheid en geruchtmakende interventies (over de Duitse deling, de hermilitarisering, de NATO en het toelaten van atoomwapens in West-Duitsland) compenseerde hij zijn a-politieke instelling uit de jaren twintig en dertig. In 1959 werd hij onderscheiden met de Erasmusprijs. In het wijsgerig werk van Jaspers treden drie dingen sterk naar voren: zijn grote bijdrage aan de existentiefilosofie- in West-Europa de dominerende stroming tussen 1930 en de jaren vijftig; zijn debat na de Tweede Wereldoorlog met theologen over transcendentie, God en geloven; en zijn onophoudelijk pleidooi voor vrijheid, openheid en communicatie. Beïnvloed door Kierkegaard en Nietzsche signaleert Jaspers, evenals vele andere existentiefilosofen, met tegenzin een toenemende wetenschapsverering. Dit sciëntisme aanvaardt de irrationele factor niet, waaraan Jaspers in zijn antropologische filosofie een centrale betekenis toekent: de filosofie begint volgens hem daar, waar de ratio schipbreuk lijdt. Zijn denken is niet ingesteld op het pure weten in de zin van wetenschappelijk weten, het is veeleer geloof ("Der philosophische Glaube", 1948). Filosofie is geen systeem, maar een houding die de inzet van de gehele persoonlijkheid vraagt. Filosoferen moet volgens Jaspers uitgaan van de individuele existentie, die in laatste instantie uniek en in algemene termen onuitzegbaar is. In zijn driedelig hoofdwerk, verschenen in 1932 onder de nuchtere titel "Philosophie (Einleitung, Existenzerhellung, Metaphysik)" treedt een aantal ambivalenties naar voren. Het existentiebegrip zelf, opgevat als radicale eenzame subjectiviteit, gekenmerkt door vrijheid, kiezen, echec, angst, het niets, wordt soms geduid aan gene zijde van het sociale, maar tegelijkertijd ook als bestemd tot communicatie met de 'ander'. Anders dan Heidegger in Sein und Zeit werkte Jaspers geen systematische analyse van existentiale kenmerken uit, maar hij behandelt ze wel. De hele schrijfstijl van het boek is niet-technisch en niet gericht op filosofische insiders. Ambivalent is het centrale begrip transcendentie, dat nu eens behandeld wordt als kern van het vrijheidsbegrip, dan weer als openheid naar het metafysische Zijn, maar ook als synoniem voor een (totaal on-dogmatisch en a-christelijk opgevat) godsbegrip. Nu eens lijkt Jaspers een volstrekt niet-traditioneel, modern 20ste-eeuws tragisch mensbeeld te schetsen, dan weer blijkt hang naar traditie ('philosophia perennis').
Existentie als onafwendbare eenzaamheid en de drang tot communicatieve 'liefde' voor de ander houden elkaar in spanning. Net als andere existentiefilosofen weigert Jaspers een scheiding tussen metafysica, antropologie en ethiek. Het existentiebegrip en de notie grenssituaties (strijd, moeilijke keuzen, lijden, schuld, dood) willen deze juist integreren. Jaspers, die nooit officieel uit de Lutherse Kerk is getreden, heeft zich, vooral ook na de Tweede Wereldoorlog, uitvoerig verstaan met theologen (zie ontmythologisering en Rudolf Bultmann). In zijn filosofie zit een religieuze dimensie, maar transcendentie en god beschouwt hij als ontheologische woorden. De existentie ervaart het absolute in symbolen (Chiffren), die de transcendentie representeren zonder dat deze ooit dogmatisch, in de zin van subject- of object-zijn, mag worden gefixeerd. Alles kan Chiffre zijn, bijv. natuur, geschiedenis, bewustzijn, de mens zelf en zijn vrijheid. Hieruit blijkt dat transcendentie bij Jaspers nooit bewezen kan worden, maar altijd voorwerp is van een getuigenis, appel, geloof, dat steeds opnieuw bevochten moet worden. Heel anders dan bij bijvoorbeeld Sartre in diens existentiële periode loopt de interpretatie van existentie als subjectiviteit en vrijheid niet uit op een analyse van echec. Openheid naar de ander en de anderen draagt Jaspers' vrijheidsbegrip. Communicatie is de 'achterkant' van het existentiebegrip. Het naoorlogse, meer politieke engagement van Jaspers geeft meer kleur aan wat in zijn uit 1932 daterende hoofdwerk al aangeduid was als 'Ik zelf in communicatie en historiciteit'. Het uitzicht op uiteindelijke harmonie en synthese biedt Jaspers nooit; het enig definitieve bij de mens is nietigheid.

Job Characteristics Model (~)

Een belangrijk arbeidstaakkenmerken model van J.R. Hackman en G.R. Oldham. De grondgedachte van het model is eigenschappen van een taak vast te stellen, die belangrijke determinanten voor werkmotivatie en arbeidstevredenheid kunnen zijn. In het JCM worden vijf saillante taakkenmerken gespecificeerd:
1. afwisseling (skill variety): de mate waarin de taak een beroep doet op de verschillende vaardigheden van de taakuitvoerder;
2. identiteit (task identity): de mate waarin de taak een afgerond geheel is, zodat een identificeerbaar, afgerond (deel)product gefabriceerd wordt;
3. belang (task significance): de mate waarin de taak voor anderen, binnen of buiten de organisatie, van essentieel belang is;
4. autonomie (autonomy): de mate van vrijheid, onafhankelijkheid en beslissingsbevoegdheid bij de taakuitvoering;
5. feedback (feedback from job): de mate waarin directe en duidelijke informatie over de doelmatigheid van de uitvoering wordt verkregen.
De vijf taakkenmerken in het JCM zijn verantwoordelijk voor drie kritische psychologische toestanden bij de werknemer, namelijk ervaren zinvolheid, ervaren verantwoordelijkheid, en kennis van de resultaten van het werk. Indien deze drie psychologische toestanden aanwezig zijn, zal dat positieve effecten hebben op de werknemers en de taakuitvoering, zoals hoge intrinsieke werkmotivatie, een hoge kwaliteit van de arbeidsprestatie, een hoge arbeidstevredenheid en een laag verzuim en verloop. Het motiverend vermogen van een taak wordt uitgedrukt in de Motivating Potential Score (MPS). De formule voor de MPS, die direct is afgeleid van de veronderstellingen in het JCM, luidt als volgt:

MPS = [(Afwisseling+identiteit+belang)/3] x Autonomie x Feedback

Aan deze formule ligt de hypothese ten grondslag dat met name autonomie en feedback een belangrijke bijdrage leveren aan het motiverend vermogen van een taak.

judotechniek (judo technics)

Motiveringstechniek bij cognitieve gedragstherapie. Een techniek die gebaseerd is op gelijken in een 'strijd' tussen cliënt en therapeut, waar tussen beide partijen een eerlijke 'strijd' wordt geleverd, uiteraard uiteindelijk ten behoeve van de cliënt.


- K -

Karasek-model (Job Demand-Control Model)

Ook Job Demand-Control Model. Een arbeidsmodel gebaseerd op een beperkt aantal essentiële kenmerken van de werkomgeving zoals werklast (psychological demands) op de x-as en de regelruimte (decision latitude) op de y-as. Later is sociale ondersteuning als derde factor toegevoegd. Regelruimte slaat zowel op de mate waarin de werknemer zijn capaciteiten in het werk kwijt kan (skill discretion) als op het al dan niet gemachtigd zijn een eigen oordeel te hebben of zelf de beslissingen te nemen (task authority). Sociale ondersteuning heeft betrekking op de functionele en informele contacten die de werknemer heeft met zijn chef of collega's. Dit dient als buffer waardoor de negatieve effecten van het werk worden verzwakt. Op basis van de twee eerste factoren is het mogelijk verschillende functies of beroepen in te delen in vier categorieën: actief werk, passief werk, werk dat veel spanning oproept en werk dat weinig spanning teweegbrengt (R. Karasek & T. Theorell, 1990).

Klein, Melanie (~)
(1882-1960) In Oostenrijk geboren Brits psychoanalyste. Bekend om haar werk met jonge kinderen, waarbij observatie van het vrije spel inzicht gaf in het onbewuste fantasieleven van het kind, wat het haar mogelijk maakte psychoanalyse te doen met kinderen van zo'n twee à drie jaar.
Als het jongste kind van de Weense kaakchirurg, toonde Melanie Klein belangstelling voor de medicijnstudie maar veranderde deze plannen toen ze op de leeftijd van 21 jaar trouwde. Het huwelijk, alhoewel ongelukkig, gaf haar drie kinderen. Ze kreeg in Budapest belangstelling voor de psychoanalyse, een aantal jaren voor de Eerste Wereldoorlog, toen zij in psychoanalyse was bij Sándor Ferenczi, een naaste medewerker van Freud. Ferenczi adviseerde haar nadrukkelijk om de psychoanalyse van kinderen te bestuderen en in 1919 schreef zij het eerste manuscript op dit gebied. Twee jaar later werd ze door Karl Abraham uitgenodigd voor deelname aan het Berlijns Psychoanalytisch Instituut en ze verbleef daar tot 1926, toen zij naar Londen vertrok. In "Psychoanalysis of Children" (1932), beschreef ze haar waarnemingen en theorie over de psychoanalyse van kinderen. Ze geloofde dat het spel van kinderen een symbolische wijze was om angst te beheersen, ze observeerde het vrije spel met speelgoed met het doel de psychologische impulsen en denkbeelden in de eerste jaren van het leven van het kind te bepalen. Haar object-relatietheorie bracht de Ego-ontwikkeling in verband met deze beginperiode, om ervaring op te doen met diverse driften en fysieke dingen die in verband stonden met psychische drijfveren. In de vroege ontwikkeling ontdekte ze dat een kind eerder een band aangaat met een deel dan met het geheel, bijvoorbeeld met de borst in plaats van met de moeder. Deze onstabiele en primitieve keuze van identificatie werd door Melanie Klein de paranoïde-schizoïde periode genoemd. De volgende ontwikkelingsfase is de depressieve periode, waarin het kind zich bindt aan de totale objecten, zoals de moeder of vader. Deze fase wordt gekenmerkt door de herkenning van het kind van de ambivalente gevoelens naar objecten, en dus de afremming van kinds interne conflicten naar hen. Melanie Klein geloofde dat de angst in de paranoïde-schizoïde periode volgde op de dreiging van de vernietiging van het Zelf, en de angst van de tweede, latere depressieve periode, welke in relatie stond met de schade die de geliefde personen werd aangedaan door de eigen destructieve impulsen van het kind. Begin 1934 gebruikte Klein haar werk voor volwassen patiënten om haar denkbeelden te verduidelijken en uit te breiden met de denkbeelden van baby's- en kinder-angsten. Ze heeft haar denkbeelden weergegeven in diverse manuscripten en één boek zoals "Envy an Gratitude " (1957). Haar laatste werk, in 1961 na haar dood gepubliceerd, "Narrative of a child Analysis" was gebaseerd op gedetailleerde gegevens uit de Tweede Wereldoorlog in 1941.

kleurenwaarneming (colour perception)

Het zien van diverse kleuren. We zien als mensen kleuren met golflengten van 400 tot 650 nanometer (nano=10-9). Rond de 450 nanometer is het lichtblauw, rond 525 groen, rond 575 geel, rond 620 oranje en rond 650 rood. Kleuren worden door mensen uit alle culturen op soortgelijke wijze ervaren en ingedeeld. De basiskleuren zijn altijd zwart, wit en rood, en ook eventueel geel en blauw. Dat deze indeling overal hetzelfde is, wijst erop dat het menselijke zintuig of gezichtvermogen gevoelig is voor deze kleuren. Belangrijke theorieën op het gebied van kleurenzien zijn de Young HelmhoItz-theorie, de Hering's theorie en de opponent hue-theorie.

klinische neuropsychologie (clinical neuropsychology)

Klinische neuropsychologie is het wetenschapsgebied waar de relaties tussen hersenstoornissen en gedrag bestudeerd worden in patiëntgebonden research alsmede de praktijksector waar deze kennis een belangrijke bijdrage levert aan diagnostiek, voorlichting, begeleiding en behandeling van de - in aantal sterk toenemende - patiënten met hersenstoornissen.
Dit wetenschapsgebied is relatief jong, althans als officieel erkende specialisatie van de klinische psychologie en wordt helaas in beperkte mate toegepast in de Nederlandse gezondheidszorg vergeleken met andere Westerse landen. Dit heeft te maken met onbekendheid van het vak bij nog steeds te veel psychologen, medisch specialisten, huisartsen, paramedici en patiënten en wellicht ook met onvrede over de kwaliteit van neuropsychologische praktijkbeoefening door sommige Nederlandse psychologen die daarvoor kennelijk niet opgeleid en/of bijgeschoold zijn.
Een belangrijke maatschappelijke factor bij de snelle ontwikkeling van de klinische neuropsychologie is het grote en steeds toenemende aantal personen dat in onze samenleving getroffen wordt door een hersenziekte of -beschadiging.Verschillende omstandigheden spelen hierbij een rol. De enorme vooruitgang in hygiëne, voeding en geneeskundige behandelingsmogelijkheden brengt een aanzienlijk lagere sterftekans met zich mee en resulteert bij overlevenden met - ook zeer ernstige - beschadigingen van de hersenen in een veel langere overlevingsduur dan ooit tevoren. Bovendien leidt de mondiale vergrijzing van de bevolking tot grotere aantallen patiënten met neuropsychologische problemen, omdat veel hersenziekten en -stoornissen voornamelijk op hogere leeftijd optreden.
Daarnaast wordt de kwaliteit van leven steeds meer benadrukt in de gezondheidszorg. Ten aanzien van personen met hersenstoornissen betekent dit dat bij diagnostiek, behandeling en bij wetenschappelijk onderzoek grote aandacht vereist is voor cognitieve, emotionele en sociale consequenties van het hersenletsel.



- L - learning set (learning set)
Geleerde algemene aanpak van het oplossen van bepaalde discriminatieproblemen; leren hoe.

leerbaarheid (learnability)

Term van Lev S. Vygotsky waarmee het vermogen tot het leren door instructie aangeduid wordt.

leerhiërarchie (learning hierarchy)

Procedure bij Robert Gagne waarbij de deeltaken die na analyse van een complexe leertaak ontstaan, geordend worden van funderende naar complexe.

leerintentie (intention for learning)

Indien proefpersonen informatie verwerken met de expliciete bedoeling deze te registreren in hun geheugen teneinde deze informatie op een later tijdstip te kunnen gebruiken, is er sprake van leerintentie.

leestheorie van Gough (Gough reading-theory)

In de theorie van P.B. Gough (1972) wordt het lezen opgevat als een proces dat bestaat uit een aantal deelprocessen die sequentieel van aard zijn. De deelprocessen volgen elkaar op zonder dat er sprake is van invloed op een eerder deelproces van de kant van een deelproces dat later in de reeks voorkomt. Ook de reeds aanwezige kennis heeft geen invloed op de volgorde van deze deelprocessen.

Loftus, Elizabeth (~)

(Geb. 1944) Amerikaans psychologe en expert op het gebied van foutieve en onbetrouwbare geheugenherinneringen en van belang voor de verdere ontwikkeling van de cognitieve psychologie.
Elizabeth Loftus wilde eerst wiskunde gaan studeren maar kreeg bij het UCLA interesse in de psychologie, en studeerde in 1966 af bij het UCLA in de wiskunde en psychologie. Ze promoveerde in 1970 aan de Stanford Universiteit waar ze belangstelling kreeg in de werking van het langetermijngeheugen. In 1973 kreeg ze een baan als assistent-professor bij de Washington Universiteit in Seattle aangeboden, waar ze thans (2003) nog steeds als professor werkzaam is.
Ze begon haar onderzoek met de vraag hoe het geheugen informatie indeelt en vasthoudt. In 1970 herevalueerde zij haar onderzoek en vond dat haar werk meer ten gunste van andere mensen moest komen. Ze begon met onderzoek naar door een trauma verdrongen geheugenherinneringen, en ooggetuigenverklaringen. Loftus werd hierdoor betrokken bij verhalen over seksueel misbruik en bij de verdediging van veroordeelde personen hieromtrent. In 1974, bestond haar onderzoek uit 200 getuigenverklaringen bij de rechtbank waar zij als getuige-deskundige optrad, bij onbetrouwbare getuigenverklaringen die gebaseerd waren op een foutief geheugen. Zij geloofde dat deze foutieve geheugenherinneringen in de hersenen ontstaan waren door triggering, suggestie, overdracht of spontaan. Elizabeth Loftus stond in het centrum van de controversiële en dramatische verschijnselen binnen de hedendaagse (forensische) psychologie en zag de explosieve groei van kindermishandeling in de tachtiger jaren als een noodzaak om nader geheugenonderzoek te doen. Ze ziet het als haar levenswerk om een helder model en een betrouwbare theorie te ontwerpen, waarmee aangetoond kan worden dat het geheugen vindingrijk en 'kwetsbaar' is. Ze heeft een groot aantal studies gedaan met meer dan 20.000 personen waarbij werd aangetoond dat getuigenverklaringen vaak onbetrouwbaar blijken en voor zeker zo'n 25% van de mensen beïnvloed wordt door suggestie of door onjuiste voorkennis. Loftus onderzoek richt zich vooral op herinneringen van seksueel misbruik in de kindertijd, herinneringen die plotseling kunnen opkomen bij volwassen vrouwen soms twintig of meer jaren nadat de gebeurtenis heeft plaats gevonden. Haar werk heeft geleid tot het sterk in twijfel trekken van oude geheugenherinneringen, zoals die bijvoorbeeld door een trauma in het verleden zijn ontstaan. Loftus ontkent niet dat er seksuele mishandeling bij kinderen voorkomt of dat het geheugen een trauma kan verdringen, maar ze zet vragen bij de nauwkeurigheid van deze geheugenherinneringen en de technieken om deze herinneringen weer op te roepen. Het gaat in haar model om een speciale klasse van herinneringen, namelijk die in de volwassenheid ontstaan na 'geheugenwerk' (memory work), dat wil zeggen het terughalen van onderdrukte herinneringen door therapeutische technieken zoals bij regressie, dromen, hypnose, visualisatie, groepstherapie en door suggestie van een therapeut (iatrogenese). Zij publiceerde 19 boeken en 200 artikelen, is een van de meest gevraagde psycholoog/gastspreker en een belangrijke spreekbuis van de False Memory Syndrome Foundation (FMSK). Haar werken zijn o.a.: "Human Memory" (1973), "Cognitive Processes" (1976), "Eyewitness Testimony" (1979), "Law and Human Behavior" (1980), "The Myth of Repressed Memory" (1994),"Remembering Dangerously" (1995).

logische inferentie (logical inference)

Betekenisafleiding waarbij uit een gegeven in de tekst een algemeen geldige conclusie wordt getrokken door formele redeneerstappen toe te passen.

Luria, Alexander Romanovitch (~)

(1902-1977) Russisch psycholoog en neuroloog. Lurija was samen met Lev S. Vygotsky één van de geestelijke vaders  de cultuurhistorische school. Daarnaast schreef hij standaardwerken over het functioneren van de hersenen. Hij rekende bijvoorbeeld af met het idee dat mentale functies op bepaalde locaties in de hersenen gelegen zijn. Daarnaast was hij een van de eerste neurologen die een neuropsychologische werkwijze toepaste met revaliderende patiënten.
Luria studeerde tot 1921 sociale wetenschappen en psychologie. Vanaf 1925 was hij werkzaam bij het psychologisch instituut aan de universiteit van Moskou, eerst als assistent en later als hoofd van het algemeen psychologisch laboratorium. Samen met Lev S.Vygotsky en A.N. Leontjev startte Luria de cultuurhistorische school in Rusland. In begin dertiger jaren werd Luria op ideologische gronden gedwongen zijn psychologie docentschap op te geven en richtte zich daarom op de studie als arts. Tijdens de Tweede Wereldoorlog specialiseerde hij zich als arts-officier op de revalidatie van mensen met hersenaandoeningen. Vanaf 1944 werkte Luria bij het instituut voor Neurochirurgie in Moskou waar hij een begin maakte om het wetenschapsgebied van de neuropsychologie verder uit te bouwen. Onder politieke druk (hij werd verdacht van anti-Pavlov ideeën) moest Luria zijn aanstelling opgeven, maar kon een korte tijd later, nadat door de dood van Stalin het politieke klimaat in Rusland duidelijk was veranderd, zijn wetenschappelijk werk weer oppakken.
Luria wordt zo de grondlegger van de neuropsychologie. Als eigenzinnig wetenschapper hield hij zich bezig met de rol van verschillende hersenfuncties en de complexe interactie van het menselijk gedrag. Met zijn baanbrekend werk op het gebied van afasie en de rol van spraak bij de mentale ontwikkeling bij kinderen kreeg Luria steeds meer aanzien in het buitenland, wat tot zijn rehabilitatie in zijn eigen land heeft geleid. Hij hield nauw contact met wetenschappers als Jean Piaget en Jerome Bruner. Tot zijn dood in 1977 werkte Luria zijn methode van syndroomanalyse verder uit en schreef werken die neurologische geschiedenis maakte zoals: "Een teveel aan geheugen" en "De man wiens wereld aan scherven ging".

Luria, model van (Luria, model of)

Een neurologisch model van een zeer invloedrijk neuropsycholoog, de Rus Alexander Romanovitch Luria (1902-1977). Luria probeerde een synthese te geven van de op dat moment bestaande neuro (psycho)logische feiten en theorieën en integreerde die met zijn talloze eigen klinische waarnemingen bij soldaten in de Tweede Wereldoorlog die hersenverwondingen hadden opgelopen. Bovendien had hij een grote invloed op het vak omdat hij en zijn medewerkers tot de eersten behoorden die zich intensief met de revalidatie van patiënten met functiestoornissen bezighielden en zich daarbij lieten leiden door neuropsychologische theorieën en diagnostiek. Luria zocht een evenwicht tussen holistische en lokalisationistische opvattingen. Hij vatte de hersenen-als-geheel op als één complex functioneel systeem waarbinnen diverse subsystemen een geheel eigen bijdrage aan de gezamenlijke hersenactiviteit leveren. Die functionele subsystemen zijn ontstaan door vroege interacties tussen het individu en omgeving en zullen ook veranderen in de loop van de ontwikkeling en tengevolge van leerprocessen. Het cerebrale substraat van een taak die nog geleerd moet worden zal daardoor ook geheel anders zijn dan de taak die al volledig beheerst wordt. Luria benadrukte dat het functioneel systeem van de hersenen-als-geheel buitengewoon flexibel en adaptief is: wanneer een specifiek gedragsdoel door omstandigheden of door stoornissen niet op een bepaalde manier bereikt kan worden, dan worden andere strategieën gevolgd zodat met inzet van geheel andere subsystemen toch hetzelfde einddoel gerealiseerd kan worden.


- M -

Mahler, theorie van (Mahler's theory)

Psychoanalytische theorie ontwikkeld door Margaret Mahler (1975). Zij onderscheidt in de eerste jaren van de kinderontwikkeling het zogenaamde separatie-individuatie proces. De nadruk ligt bij haar theorie niet zozeer op driften en afweer maar op de ontwikkeling van objectrelaties. Objectrelaties worden opgevat als innerlijk gesitueerd. Ze ontstaan door identificatie met en introjectie van externe objecten (personen in de nabijheid). Het normale separatie-individuatieproces volgt in de psychologische ontwikkeling op een normale symbiotische fase waarin er sprake is van een interne wederzijdse betrokkenheid tussen moeder en kind. Het separatie-individuatieproces komt tegemoet aan de behoefte van het kind om los van het moederobject te functioneren, weliswaar in haar aanwezigheid en gesteund door haar emotionele beschikbaarheid. Het kind realiseert zich echter in toenemende mate een object te zijn los van moeder en daarmee komen processen als internalisatie, identificatie en splitsen tot ontwikkeling, om daarmee de intense separatieangsten controleerbaar en hanteerbaar te maken. Het innerlijk leven van het kind, dat leeg was, zonder innerlijke objecten, wordt meer en meer gedifferentieerd en in toenemende mate 'bevolkt' door geïnternaliseerde (deel)objecten en in de normale ontwikkeling ontstaat objectconstantie (het vermogen een extern object innerlijk te representeren voor wat betreft zijn positieve als negatieve aspecten). Mahler (1968) heeft in haar werk sterk de nadruk gelegd op het proces van losmaking en hand in hand daarmee gaande het proces van individueren. Als het kleine kind zich uit de symbiotische relatie met het moederobject losmaakt, ontstaat, wat Mahler noemt 'separatieangst'. Door het proces van internaliseren is afweer tegen deze separatieangst mogelijk, maar is gelijk een constituerende factor in de totstandkoming van de persoonlijkheid.
Mahler onderscheidt drie fasen:
1. differentiatie, 3-8 maanden, lichaamsbeeld differentiatie;
2. practising, 8 - 16 maanden, actief exploreren;
3. rapprochement, 16 - 12 maanden, terug naar moeder;

memory-based reasoning (~)

Het oplossen van problemen op basis van wat herinnerd kan worden. Dit is een belangrijk kenmerk van problemen oplossen door experts dat niet berust op een algemeen kennisbestand maar op het herinneren van afzonderlijke, episodische, ervaringen met specifieke problemen en oplossingen.

mental blocks (~)

Het verschijnsel dat bij de uitvoering van eenvoudige taken op onregelmatige momenten de reactietijd van personen plotseling spectaculair kan toenemen. Kenmerkend voor deze blokkades is dat zij pas na verloop van tijd optreden en dan zoals gezegd, onregelmatig.

mental states (~)

Term uit de psychotherapie. Volgens P. Fonagy en M. Target (1998) zijn dit onder meer intenties, overtuigingen, verlangens, gevoelens en meningen. Het bestaan en ontstaan van mental states veronderstelt intersubjectiviteit: een interactionele betrokkenheid tussen primaire objecten gekenmerkt te zijn door responsiviteit en sensitiviteit en doet verder een beroep op het mentaliserend vermogen van het kind.

mentale leeftijd (mental age)

Dit is de koppeling van de testprestatie bij een intelligentietest aan het leeftijdsniveau waarop deze prestatie door het gemiddelde kind van het betreffende leeftijdsniveau gehaald werd. Men gebruik deze leeftijd bij het bepalen van het intelligentiequotiënt bij jonge kinderen.

mentale representaties (mental representation)

Zie mental states.

mentale retardatie (mental retardation)

Zie zwakzinnigheid.

mentale set (~)

De predispositie of neiging tot selectieve waarneming, herinnering of beoordeling.

mentale stoornissen (mental disorders)

DSM-IV definitie van mentale stoornissen (APA,1994):
Definiërende kenmerken
Een gedrags- of psychologisch syndroom dat samengaat met:
1. actueel lijden of
2. onvermogen (te kort schieten op een meer belangrijke gebieden van functioneren), of met
3. een significant toegenomen risico om dood te gaan, pijn te lijden, of de persoonlijke vrijheid te verliezen.
Uitsluitende omstandigheden
Het syndroom moet niet louter:
1. een te verwachten en cultureel aanvaarde reactie zijn op een bepaalde gebeurtenis (bijvoorbeeld rouw na de dood van een familielid)
2. bestaan uit 'deviant' gedrag (zoals acties van politieke, religieuze of seksuele minderheden)
3. uitvloeisel zijn van conflicten tussen het individu en de maatschappij (zoals pogingen om uitdrukking te geven aan de eigen individualiteit).

mentale taakbelasting (mental workload)

Van mentale belasting of inspanning wordt gesproken als de taak een beroep doet op zowel cognitieve als op perceptief-motorische vaardigheden. Aansluitend bij de internationale literatuur rekent men de emotionele reacties die het werk oproept niet tot de mentale belasting.

mentale verbeelding (mental imagery)

Het denken, of meer algemeen het verwerken van informatie, met behulp van een ruimtelijke voorstelling in het hoofd. Het is een belangrijk onderwerp in de psychologie, sinds het experiment van Jacqueline MetzIer en Roger Shepard. Zij lieten proefpersonen kijken naar paren ruimtelijke figuren. Deze figuren waren soms gedraaid in het vlak van de afbeelding, soms in de diepte en soms waren het spiegelbeeldige figuren die ook ten opzichte van elkaar gedraaid waren. De proefpersonen moesten beoordelen of de figuren hetzelfde waren of niet. Het bleek dat de proefpersonen dit redelijk goed konden. Vooral interessant was de manier waarop de proefpersonen zeiden dat zij de figuren met elkaar vergeleken hadden. Dit zouden ze gedaan hebben door een figuur in gedachten rond te draaien totdat hij dezelfde stand had bereikt als het andere figuur. Hierdoor werd de vergelijking eenvoudig. Dit verslag van de proefpersonen werd ondersteund met behulp van reactietijden onderzoek. Het bleek dat wanneer een figuur verder gedraaid moest worden, de reactietijden lineair toenamen. Binnen de psychologie bestaat een heftig debat over de betekenis van dit fenomeen. Sommigen menen dat de mentale verbeelding een uitvloeisel is van achterliggende processen en geen zelfstandige denkwijze is. De imaginisten houden echter vol dat het denken in beelden niet herleidbaar is tot andere processen in de hersenen en dus een zelfstandige vorm is van mentale activiteit.

mentale werkbelastingstheorieën (mental workload theories)

In deze theorieën spelen cognitieve en computationele processen een hoofdrol terwijl bijvoorbeeld bij stresstheorieën de emotionele verwerking centraal staat.

mentaliseren (mentalize)

Het vermogen om op een psychologische wijze naar zichzelf te kijken en over zichzelf te reflecteren.

mnemonische technieken (mnemonics technics)

Volgens Vygotsky en later Feuerstein ontstaan hogere cognitieve functies (zoals het plannen, vergelijken, analyseren, logisch en creatief denken) door gemedieerde leerervaringen. Een computer kan zijn mentaal veld niet uitbreiden, een mens wel. Er zijn voorbeelden van mensen die hun geheugencapaciteit enorm hebben vermeerderd door oefening. Analytisch waarnemen, categoriseren, associëren, schema's maken, conceptualiseren zijn enkele alledaagse voorbeelden van 'mnemonische technieken'.


- N -

naïeve noties (ingenuous notions)

Kennis van een specifiek deel van de werkelijkheid die wordt gekenmerkt door directe interpretatie van de waargenomen toestanden, gebeurtenissen, gedragingen en handelingen in de wereld, vanuit een raamwerk van algemene alledaagse kennis van de wereld.

narcistische persoonlijkheidsstoornis (narcistic personality disorder)

In de DSM IV wordt de narcistische persoonlijkheidsstoornis gekenmerkt door een voortdurend aanwezig patroon van grandiositeit (in fantasie en gedrag), behoefte aan bewondering en gebrek aan empathie, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komen in diverse situaties zoals blijkt uit ten minste vijf van de volgende criteria:
1. een grandioos besef van eigen belangrijkheid (bij voorbeeld: overdrijft prestaties en talenten, verwacht als superieur te worden erkend zonder daarbij behorende prestaties);
2. gepreoccupeerd met fantasieën over onbeperkt succes, macht, genialiteit, schoonheid of ideale liefde;
3. gelooft dat hij of zij 'speciaal' en uniek is en kan alleen begrepen worden met andere speciale mensen of mensen (of instellingen) met een hoge status;
4. eist buitensporige bewondering;
5. een besef recht te hebben op bepaalde dingen c.q. irreële verwachtingen ten aanzien van speciale, gunstige behandeling of automatische inwilliging van zijn of haar verwachtingen;
6. interpersoonlijk uitbuiting, maakt bij voorbeeld gebruik (misbruik) van anderen om zijn of haar doelen te bereiken;
7. gebrek aan empathie: onwillig om andermans gevoelens en behoeften te herkennen of zich ermee te identificeren;
8. is vaak jaloers op anderen of gelooft dat anderen jaloers zijn op hem of haar;
9. arrogant, hooghartige gedragingen of attitudes. (J.J.L. Derksen, 1993)

narcistische woede (narcissistic rage)

Term uit de psychoanalyse. De woede wordt gekenmerkt door haar mateloosheid. Een in schijn geringe aanleiding kan bij mensen met een wankel gevoel van eigenwaarde tot heftige, destructieve woede uitbarstingen leiden. In de behandeling van dit type patiënten met narcistische persoonlijkheidsstoornis is het van wezenlijk belang de oorzaak van dit gedrag op te sporen en in de overdracht door te werken. Volgens de zelfpsychologie is narcistische woede de reactie op een dreigende of feitelijke destabilisering van het narcistische evenwicht, erop gericht de coherentie van het zelf te herstellen. In de ruimste zin van het woord is voor de zelfpsychologie agressie geen drift, maar een functie die dient ter bescherming van de persoonlijkheid. Zie ook narcisme.


- O -

object relationeel model (object relational model)

Een psychoanalytisch model waarbij de nadruk ligt op de externe realiteit zoals de persoon die ervaart. Belangrijk onderdeel van deze ervaringen van de externe realiteit zijn de zogenaamde objectrelaties. Dit zijn de innerlijke representaties die iemand heeft van de eigen relaties met andere personen (objecten). Datgene wat verinnerlijkt wordt, is geen pure replica van de externe realiteit, maar een interpretatie daarvan. De objectrelaties zijn libidineus bezet en affectief ingekleurd, omdat de persoon bepaalde gevoelens van lust of onlust jegens objecten heeft.

omstandereffect (bystander effect)

Het effect dat mensen minder geneigd zijn om een ander (die duidelijk in nood verkeert) te helpen wanneer ze in het gezelschap van anderen verkeren dan wanneer ze alleen zijn. Maar al te vaak komt het voor dat mensen mishandeld of zelfs vermoord worden, terwijl talloze omstanders toekijken zonder ook maar enige actie te ondernemen. Bij dit effect spelen waarschijnlijk diverse processen een rol. Bijvoorbeeld het feit dat men zich in het gezelschap van anderen minder verantwoordelijk voelt voor het slachtoffer, dat men uit het apathisch gedrag van de anderen afleidt dat het zo'n vaart niet zal lopen of men bijvoorbeeld bang is voor gek te staan door als enige wel iets te doen.

operant gedrag, uitdoving (operant behaviour, extinction)

Bij klassieke conditionering treedt er geleidelijk uitdoving op wanneer de voorwaarde stimulus (CS) niet meer wordt gevolgd door de onvoorwaardelijke stimulus (UCS).

operant leren (operant learning)

Versterking van een stimulus-responsverbinding bij het leren.

overjustification hypothese (overjustification hypothesis)

De hypothese die stelt dat er een afname in de aantrekkelijkheid van een activiteit optreedt wanneer het individu deze activiteit als een middel tot een doel in plaats van als een doel op zichzelf waarneemt (Leppart & Greene).

overleren (relearning)

Doorgaan met repeteren, ook nadat de leerstof al volledig beheerst wordt.


- P -

paranoïde persoonlijkheidsstoornis (paranoid personality disorder)

In de DSM IV wordt de paranoïde persoonlijkheidsstoornis beschreven als een voortdurend aanwezig wantrouwen en achterdocht ten opzicht van anderen, zodanig dat hun motieven geïnterpreteerd worden als boosaardig, beginnend in de vroege volwassenheid en aanwezig in diverse situaties zoals aangegeven door ten minste vier van de volgende criteria:
1. verwacht zonder voldoende grond, uitgebuit of benadeeld te worden door anderen;
2. gepreoccupeerd met twijfels, zonder die te kunnen staven, aan de oprechtheid of betrouwbaarheid van vrienden of collega's;
3. onwillig anderen in vertrouwen te nemen vanwege ongerechtvaardigde angst dat de informatie tegen hem of haar wordt gebruikt;
4. neemt vernederende of bedreigende betekenissen waar, verborgen in onschuldige opmerkingen of gebeurtenissen;
5. heeft constante weerzin, bij voorbeeld vergeeft beledigingen, onrecht of kleinering niet;
6. neemt aanvallen waar op zijn of haar karakter of reputatie die voor anderen niet duidelijk zijn en reageert snel met boosheid of een tegenaanval.
7. herhaalde achterdocht, zonder rechtvaardiging, inzake de trouw van de echtgeno(o)t(e) of seksuele partner.
(DSM-IV; APA, 1994)

perceived self-efficacy (perceived self-efficacy)

Ook ervaren competentie. Waargenomen eigen competentie of het vertrouwen dat iemand heeft om succesvol te handelen in een potentieel stressvolle situatie.

persoonlijkheidsstoornissen (personality disorders)

DSM-IV omschrijft persoonlijkheidsstoornissen als duurzame en starre gedragspatronen en belevingen, waarmee de persoon zich duidelijk onderscheid van andere leden van dezelfde cultuur. De stoornissen kunnen zich openbaren in het denken, voelen, de omgang met anderen en in de impulsbeheersing. De oorsprong ligt vaak in de kindertijd. Persoonlijkheidsstoornissen vertonen een stabiel verloop over de tijd en beïnvloeden het functioneren van het individu in uiteenlopende situaties.
DSM-IV onderscheidt tien verschillende persoonlijkheidsstoornissen (en een restcategorie). De stoornissen zijn verdeeld over drie clusters. Cluster A bevat persoonlijkheidsstoornissen die zich vooral kenmerken door vreemd of excentriek gedrag, Bij cluster B gaat het vaak om dramatische of emotioneel gedrag. Karakteristiek voor persoonlijkheidsstoornissen in het C-cluster is 'angst'.
In onderstaand overzicht zijn de diverse persoonlijkheidsstoornissen verkort weergegeven:
Cluster A (het 'bizarre' cluster)
- Paranoïde persoonlijkheid: wantrouwen en achterdocht, waarbij de persoon anderen verdenkt van kwade bedoelingen.
- Schizoïde persoonlijkheid: weinig of geen behoefte aan de omgang met anderen, beperkingen in het uitdrukken van emoties
- Schizotypische persoonlijkheid: zich zeer ongemakkelijk voelen in de omgang met anderen, stoornissen in het denken en de waarneming, zonderling gedrag.
Cluster B (het 'dramatische' cluster)
- Antisociale persoonlijkheid: gebrek aan respect voor anderen, schending van de rechten van anderen.
- Borderline persoonlijkheid: instabiliteit in relaties met anderen, het zelfbeeld en de stemmingen, en opvallend impulsief gedrag.
- Theatrale persoonlijkheid: overmatige emotionaliteit en zoeken van aandacht.
- Narcistische persoonlijkheid: ideeën van eigen grootsheid, behoefte aan bewondering, gebrek aan invoelend vermogen.
Cluster C (het 'angstige' cluster)
- Ontwijkende persoonlijkheid: sociale geremdheid, gevoel van minderwaardigheid, overgevoeligheid voor negatieve oordelen.
- Afhankelijke persoonlijkheid: ondergeschikt en vastklampend gedrag, een overmatige behoefte om te worden verzorgd.
- Obsessief-compulsieve persoonlijkheid: sterk bezig met ordelijkheid, perfectionisme en controle.

Piaget, Jean William Fritz (~)

(1896-1980) Zwitsers psycholoog die als eerste een systematische studie maakte van het verloop van de kinderontwikkeling en wordt door velen als een van de belangrijkste personen gezien voor de ontwikkelingspsychologie in de 20ste eeuw en als een vooraanstaand cognitivist.
Piaget was al vroeg geïnteresseerd in de zoölogie want als tienjarige publiceerde hij een artikel over de albino mus en op de leeftijd van vijftien jaar had hij al een zekere reputatie onder Europese zoölogen. Hij studeerde dierkunde en filosofie aan de Universiteit van Neuchâtel en behaalde in 1918 zijn doctoraal. Hij kreeg echter al snel interesse in de psychologie waarbij hij zijn biologiekennis combineerde met zijn interesse in de epistemologie (kennisleer). Hij ging eerst naar Zürich, waar hij bij C.G. Jung en E. Blueler studeerde en ging daarna in 1919 twee jaar aan de Sorbonne in Parijs studeren. In Parijs kreeg Piaget interesse in de gedachteprocessen bij kinderen, door de fouten die zij maakten bij het lezen. In 1921 bEgon hij zijn bevindingen te publiceren en in datzelfde jaar werd hij aangesteld als directeur van het J.J. Rousseau Instituut in Génève in Zwitserland. Van 1926 tot 1929 was hij professor filosofie aan de universiteit van Neuchâtel en in 1929 werd hij professor ontwikkelingspsychologie aan de universiteit in Génève, waar hij tot zijn dood bleef. In 1955 richtte hij het Internationaal Centrum voor Erfelijke Epistomologie in Génève op en werd hier directeur. In meer dan 50 boeken en monografieën, geschreven tijdens zijn lange carrière, blééf Piaget het thema ontwikkelen dat hij in Parijs voor het eerst had bedacht, namelijk dat de verstandelijke (cognitieve) vermogens van het kind een serie fasen naar de volwassenheid toe, doorloopt. Piaget zag dat het kind steeds opnieuw zijn eigen realiteitsmodel creëerde, en verstandelijk ontwikkelde in elke fase door eenvoudige concepten te integreren met meer complexere concepten. Hij ging uit van een `genetische kennisleer', die een op een tijd-as verlopende natuurlijke ontwikkeling van het denkvermogen van het kind voorstelde.
Hij onderscheidde vier fasen in deze ontwikkeling:
- Hij beschreef de eerste twee jaar van de kinderontwikkeling als de `sensomotorische fase', waarin het kind voornamelijk betrokken is op zijn eigen aangeboren lichamelijk reflexen en om deze uit te breiden naar plezierige of interessante acties. Ook wordt het kind zich in deze periode bewust van zijn eigen fysieke identiteit en dat de personen rondom hem ook een gescheiden en permanent bestaan hebben.
- In de tweede fase, de `preoperationele fase', ongeveer vanaf de leeftijd van twee tot zes of zeven jaar, leert het kind zijn omgeving symbolisch te beïnvloeden door innerlijke representaties, of gedachten, van de wereld om zich heen. In deze tweede fase leert het kind personen en objecten met behulp van woorden te verwerken, precies zo als dit in de eerste fase ging met de fysieke objecten.
- In de derde fase of 'concreet operationele fase' vanaf zeven tot elf of twaalf jaar begint de logica in het kind zijn gedachteprocessen een rol te spelen bij de classificatie van objecten zoals overeenkomsten en verschillen. Gedurende deze fase begint ook het abstracte besef van tijd en getal.
- De vierde fase de `formele fase' genoemd begint op de leeftijd van twaalf jaar en strekt zich uit tot de volwassen leeftijd. Deze fase is te karakteriseren door het ordelijk en logisch denken en de meer flexibele manier van verstandelijk experimenteren. Het kind leert in deze laatste fase om te gaan met abstracte ideeën, het maken van hypothesen en inzicht in de consequentie van zijn eigen denken en dat van anderen.
Piaget's concepten van de diverse ontwikkelingsfasen zorgde voor een herevaluatie van oude ideeën over het kind, het leren en het onderwijs. Als de ontwikkeling van bepaalde cognitieve processen bepaald werd door de fase op een genetische tijdsas, is eenvoudige bekrachtiging niet voldoende om concepten te leren; omdat de mentale ontwikkeling van het kind zich in de juiste fase moet bevinden om de concepten zich eigen te kunnen maken. Daardoor kan een leraar niet de kennis zonder meer overdragen maar een gids om het kind zijn eigen ontdekking van de wereld mogelijk te maken. Piaget kwam tot zijn theorie over de cognitieve ontwikkeling door observatie en gesprekken met zijn eigen als wel met andere kinderen. Hij vroeg hen ingenieuze en veelzeggende vragen over eenvoudige problemen die hij uitgedacht had en probeerde zo een beeld te krijgen van de manier waarop zij de wereld bekeken, en analyseerde hun foute antwoorden. Enkele belangrijke werken van Piaget zijn: "The Language and Thought of the Child" (1923), "Judgement and Reasoning in the Child" (1924), en "The Origins of Intelligence in Children" (1948). Hij schreef ook een serie boeken die gaan over het besef van kinderen over tijd, ruimte, oorzaak en gevolg, beweging en snelheid en de wereld in het algemeen.

Pijn Cognitie Lijst (~)

Afgekort: PCL-E. Een vragenlijst om cognitieve aspecten van chronische pijn te meten (J.W.S. Vlaeyen e.a., 1989).

Pinel, Philippe (~)

(1745-1826) Frans arts en pioneer op het gebied van de humane behandeling van psychiatrische patiënten.
In Parijs voorzag hij zich een aantal jaren in zijn levensonderhoud door het vertalen van wetenschappelijke en medische werken en door het lesgeven in wiskunde. Gedurende deze periode begon hij privé, opgesloten psychiatrische patiënten te bezoeken en schreef artikelen over zijn waarnemingen. In 1772 werd hij hoofdarts bij het Parijse gesticht voor mannen, Bicêtre, en zorgde voor een eerste opvallende verandering door de ketens bij de patiënten te verwijderen. Velen van hen waren voor een periode van 30 tot 40 jaar opgesloten en geketend gehouden. Hij deed hetzelfde voor de vrouwelijk bewoners van Salpêtrière in 1774 toen hij ook daar directeur werd. Hij deed dit ondanks de lang in stand gehouden en gangbare veronderstelling dat psychische ziekten voortkwamen uit het bezeten zijn door demonen. Pinel beschouwde een psychische ziekte als het resultaat van extreme blootstelling aan sociale en psychologische stress en daarnaast in enige mate erfelijk fysiologisch in aanleg. In "Nosographie philosophique" (1798), onderscheidde hij diverse psychosen en beschreef onder andere hallucinaties, afzondering en verschilende andere symptomen. Pinel schafte diverse behandeling af: zoals bloedingen, purgatie en vastbinden en gaf de voorkeur aan een therapie waarbij er nauw en vriendelijk contact was met de patiënt, gepraat werd over persoonlijke problemen en er een dagprogramma was met zinvolle activiteiten. Zijn "Traité médico-philosophique sur l'aliénation mentale ou la manie" ( 1801), bevatte zijn psychologisch georiënteerde benadering.

primacy effect (~)

Als proefpersonen in een proefopstelling een seriereeks aan voorwerpen moeten benoemen, valt op dat de de voorwerpen die het eerst werden gezien in de rij achteraf beter worden onthouden dan voorwerpen op latere plaatsen in de rij. We noemen dit het begineffect of primacy effect. De voorwerpen aan het einde van de rij worden ook weer beter onthouden dan op andere plaatsen en dit noemt men het recentheidseffect of recently effect.

primair geheugen (primary memory)

Zie kortetermijngeheugen.

primair procesdenken (primary process-thinking)

Onder primair procesdenken verstaan we het denken dat niet of niet adequaat gereguleerd wordt door het realiteitsprincipe op grond waarvan individuen in staat zijn zich rekenschap te geven van de aanwezigheid van andere personen. Het primair proces wordt louter gestuurd door het lust-onlustprincipe en gaat uit van onmiddellijke bevrediging van aanwezige behoeften, waarbij uitstel onverdraaglijk is. Het primair proces kan zijn gang gaan omdat een adequate innerlijk structuur Id; Ego; Super-Ego afwezig is (O. Kernberg,1989).

primaire bekrachtigers (prime reinforcements)

Beloningen die op aangeboren wijze op zichzelf een beloning zijn zoals voedsel, water enz..

primaire beoordeling (primary appraisal)

Beoordeling van de potentiële stressor.

priming (~)

In experimenten werd gevonden dat proefpersonen sneller reageren op een stimulus wanneer daaraan voorafgaand gerelateerde informatie werd aangeboden. Deze voorafgaande gerelateerd informatie kan in verschillende vormen gegeven worden, zelfs onbewust, en kennelijk zorgt deze vooraf informatie voor een zekere mentale voorbereiding en dient als geheugensteun voor de latere stimulus.

proces van informatieverwerking (process of information exchange)

De verschillende stadia van informatieverwerking, zoals waarnemen, herinneren, beoordelen en dergelijke.

prolonged exposure in vivo (~)

Onder andere toegepast bij behandeling van de paniekstoornis met agorafobie. De patiënt moet gedurende lange tijd (minimaal twee uur) in de onaangename agorafobische situatie blijven, totdat de angst daalt. De patiënt mag dus niet terugkeren als de spanning toeneemt, maar moet in de situatie blijven totdat zij zich beter voelt.

psycholoog code (psychologist code)

De psycholoog moet bij zijn beoordeling en waardering rekening kunnen houden met het geslacht, de leeftijd, de verschillen van milieu en de wisseling van de generaties. Hij moet zich een beschouwende habitus, gepaard met een buitenwaarts gerichte concentratie eigen maken, zich niet door emoties laten leiden, zichzelf niet als maatstaf beschouwen en zich somtijds van de door de gemeenschap opgelegde normen onafhankelijk kunnen maken (G. Revesz,1945).

psychose (psychosis)

Psychosen wordt in het algemeen gezien als de meest ernstige psychische stoornis. Bij een psychose is de werkelijkheids zin ernstig gestoord. De persoon is bij een psychose niet meer aanspreekbaar, doet en zegt dingen die omstanders direct duidelijk maken dat het bewuste contact met de werkelijkheid ernstig verstoord is. Tijdens een psychose kunnen patiënten gedrag vertonen dat een gevaar is voor hun zelf of omstanders en er moete daarom vaak snel ingegrepen worden door een medicus en opname in een psychiatrisch ziekenhuis kan nodig zijn. Psychosen kunnen bij diverse psychische stoornissen voorkomen maar worden het meest frequent gezien bij schizofrenie en manisch depressiviteit. Volgens de 'dopaminehypothese' (zie aldaar) speelt de neurotransmitter dopamine een belangrijke rol bij het ontstaan van psychosen. Antipsychotische medicatie is de standaard medische behandeling voor een psychose.

psychotherapie (psychotherapy)

Dit is een behandelmethode die wordt toegepast als mensen psychische klachten of problemen hebben. Psychotherapie is gebaseerd op het feit dat gesprekken met een cliënt en de verdere behandeling op termijn helpen om de klachten van de cliënt minder te laten worden of bij voorkeur op te heffen. Gesprekken zijn van belang omdat hierdoor duidelijk wordt hoe de cliënt de klachten ervaart, hoe lang deze duren en eventueel waardoor deze klachten worden veroorzaakt. De psychotherapeut zal met de cliënt de therapiemethode bespreken die gebruikt wordt om de klachten aan te pakken en daarnaast ook de duur en de kosten van de therapie. Hieraan gaat vooraf: een intake-gesprek, inventarisatie van de klachten (eventueel psychologische testen) en een voorlopige diagnose. Hierna is het ook mogelijk dat de psychotherapeut de cliënt verwijst naar een andere hulpverlener, die beter toegerust is om de klachten en problemen van de cliënt te behandelen. De reden waarom mensen een psychotherapeut raadplegen zijn zeer verschillend en vaak erg persoonsgebonden. Voorbeelden van psychische problemen zijn angsten, fobieën, depressies, dwanghandelingen, verslavingen maar tegenwoordig ook vaak problemen in de omgang met anderen, overspannenheid, ernstige moeheid of gevoelens van lusteloosheid.
Er zijn zeer veel verschillende vormen van psychotherapie. Deze therapievormen en methoden zijn in de laatste eeuw ontwikkeld en hebben allemaal hun eigen voor en nadelen en zijn soms cliëntgebonden toepasbaar. Maar soms ook toegesneden op therapie met meerdere personen zoals relatie- en groepstherapie. Veel psychotherapeuten werken vaak vanuit een bepaalde 'school' en volgens een bepaalde methode zoals psychoanalyse, hypnotherapie of gedragtherapie. Men ziet echter de laatste jaren dat steeds meer psychotherapeuten eclectisch werken. Dat wil zeggen: de psychotherapeut past de psychotherapie toe, of delen daarvan die het best aansluiten bij de belevingswereld en klachten van de cliënt. Of het voor iemand op een bepaald moment nodig is om in psychotherapie te gaan is moeilijk te zeggen en hangt sterk af van iemands eigen ervaring, klachten, omgeving maar ook van de voorlichting en de materiële draagkracht. Vaak is de huisarts de aangewezen persoon om advies te vragen, omdat deze vaak het beste op de hoogte is van iemands klachten, levenssituatie en ziektegeschiedenis.


- R -

rationale (rational)

Dit is de gedachtengang die aan de therapiebehandeling ten grondslag ligt voor de behandeling. Bijvoorbeeld het geven van de rationale door de therapeut na een of enkele sessies: 'een pragmatische visie op het ontstaan en voortduren van de klachten met een schets van hoe de therapie daar verandering in kan gaan brengen'.

rationeel dingschema (rational thingschema)

Hieronder wordt verstaan een rationele structuur die wij aan aanschouwelijke dingen opleggen en met behulp waarvan wij objecten in kwalitatief opzicht vergelijken.

Rationeel Emotieve Therapie (Rational Emotive Therapy)

Afgekort: RET. Rationeel Emotieve Therapie is in de jaren-'50 van de vorige eeuw ontwikkeld door Albert Ellis, een New-Yorkse psychoanalyticus die ontevreden was over de langzame methode van psychoanalyse. Hij merkte bij zijn patiënten dat alleen maar praten niet veel hielp en dat mensen zichzelf soms juist de put in praatten. Rationeel-emotieve therapie werkt vanuit het inzicht dat hoe we over onze situatie en onszelf denken bepaalt hoe we ons in die situatie voelen en hoe we daarin optreden. Denk je zonder reële reden - irrationeel - dat je bedreigd wordt, dan reageer je emotioneel precies alsof je bedreigd wordt: je wordt bang, kwaad of somber. Zie je dan eerlijk, zonder jezelf iets wijs te maken, dat je niet bedreigd wordt, dan verdwijnt ook je angst, woede of somberheid daarover; je voelt je opgelucht. RET is erop gericht dat je, als je in de knoop zit, anders over je situatie en jezelf gaat denken en daarnaar gaat handelen. Door je irrationele gedachten te herkennen, ze ter discussie te stellen en te vervangen door rationele (reële, praktische), neem je je overkokende emoties de wind uit de zeilen, voel je je beter en kun je praktischer optreden. RET gaat ervan uit dat ieder mens zowel rationeel als irrationeel kan denken en dat iedereen dus wel eens in de knoop ligt met irrationele gedachten. Welke gedachten zijn dat zoal? "Moeten", "vreselijk", persoonlijke veroordeling en "ik kan er niet tegen". Waarom zijn die gedachten irrationeel? Omdat de werkelijkheid er niet aan gehoorzaamt. Zo houd je jezelf voor de gek, waardoor je dingen verwacht die niemand je kan beloven en bang bent voor oordelen die niet reëel zijn. Als zo'n oordeel over jezelf gaat, verhindert dit dat je jezelf accepteert, en raak je met jezelf in de knoop. Daar hoef je dus niet "gestoord" voor te zijn! Volgens Abert Ellis komt psychopathologie daarom grotendeels voort uit onlogische en irrationele ideeën.
Tot deze verzameling van ideeën behoren onder meer:
- het is een levensnoodzaak om door bijna iedereen in je omgeving gewaardeerd of bemind te worden
- je moet in alle opzichten competent zijn, adequaat functioneren en het maximale bereiken om van waarde te zijn
- het is verschrikkelijk en rampzalig wanneer de dingen niet zijn zoals je ze graag zou willen
- menselijk ongeluk wordt buiten je macht om veroorzaakt en je kunt geen invloed hebben op de gevoelens daarover
- mensen worden gedetermineerd door hun levensgeschiedenis
- er is altijd een juiste perfecte oplossing voor menselijke problemen, en het is rampzalig als deze perfecte oplossing niet wordt gevonden.
Deze 'moetens' (shoulds) zijn volgens Ellis belangrijke veroorzakers van emotionele ellende.

Rogers, Carl Ransom (~)

(1902-1987) Amerikaans psycholoog en bedenker van de non-directieve of client-centered benadering van de psychotherapie, speciaal gericht op de wederzijdse persoonlijke relatie tussen therapeut en cliënt (voorheen patiënt genoemd), die samen het verloop, de snelheid en de duur van de behandeling bepalen.
Rogers bezocht de Universiteit van Wisconsin, maar zijn interesse in psychologie en psychiatrie ontstond in de periode dat hij student was aan de Union Theological Seminary in New York. Na twee jaar verliet hij het seminarie en deed in 1928 zijn doctoraal en promoveerde in 1931 aan de Columbia University's Teachers College. Toen hij zijn doctoraal werk afmaakte werd hij betrokken bij kinderonderzoek bij de Society for the Prevention of Crualty to Children, Rochester, N.Y. en werd in 1930 directeur van deze instelling. Van 1935 tot 1940 doceerde hij aan de Universiteit van Rochester en schreef "The Clinical Treatment of the Problem Child" (1939), wat gebaseerd was op de ervaring met het werken met probleemkinderen. In 1940 werd hij professor klinische psychologie aan de Ohio State Universiteit, waar hij schreef "Counseling and Psychotherapy" (1942). Rogers gaf in dit werk aan dat door een relatie op te bouwen met de cliënt die gebaseerd was op begrip en acceptatie van de therapeut, problemen voorkómen en het inzicht versterkt konden worden, en noodzakelijk om het leven van de cliënt weer op orde te brengen. Als professor psychologie aan de Universiteit van Chicago van 1954 tot 1957, hielp Rogers mee met het opzetten van een counselingcentrum wat verbonden was aan de universiteit en leidde daar onderzoek naar de effectiviteit van zijn methode. Zijn bevindingen en theorieën verschenen in "Client Centered Therapy" (1951) en "Psychotherapy and Personality Change" (1954). Hij doceerde van 1957 tot 1963 psychologie aan de Universiteit van Wisconsin, Madison, gedurende deze periode schreef hij zijn meest bekende werk, "On becoming a Person" (1961). In 1963 vertrok hij naar La Jolla in Californië, waar hij mee hielp het Center for Studies of the Person op te richten en werkte hier als staflid. Zijn latere boeken zijn "Carl Rogers on Personal Power" (1977) en "Freedom to Learn for the 80's" (1983).

rolambiguiteit (role ambiguity)

Als de rol die men heeft in een bedrijf niet ondubbelzinnig duidelijk is.

rolconflict (role conflict)

1. Een rolconflict treedt op als een werknemer bij het vervullen van zijn functie te maken krijgt met onverenigbare verwachtingen van verschillende partijen die elk voor hem van belang zijn. Het gevolg is dat hij, wanneer hij de ene partij tevreden stelt, door de andere als boosdoener wordt gezien. Als deze werknemer niet in de gelegenheid is zich eenzijdig met een van de partijen te associëren en te identificeren, wordt elke gedragslijn problematisch. Er kan zo geen adequate figuur-achtergrond-structuur ontstaan, wat een belemmering voor de integriteit van het eigen functioneren impliceert. De taak krijgt te weinig werkelijkheidswaarde en de taakomgeving blijft een bron van onrust. Ook kunnen rolconflicten negatief inwerken op iemands ervaren competentie en op zijn motivatie aan problematische gedragslijnen vast te houden.
2. Een intrapsychisch conflict (conflicting royalties) dat kan optreden wanneer de eisen die verschillende rollen aan de persoon stellen met elkaar botsen. Een brandweerman kan bijvoorbeeld bij een natuurramp moeten kiezen tussen op zijn post blijven en zijn eigen gezin waarschuwen.

roldistantie (role distance)

Mensen zijn in staat een onderscheid te maken tussen degene die ze spelen en degene die ze werkelijk zijn ( E. Goffman ).


- S -

schema's (schemas)

Kennis waarover een persoon beschikt is in het algemeen georganiseerd in schema's. Bij activatie van bepaalde informatie van een schema komt aanvullende informatie ter beschikking. Dit laatste gebeurt automatisch, onbewust aanvullende informatie, en interpreteren daarmee de kennis uit dit geactiveerde schema. Schema's zijn vergelijkbaar met een kennisbestand of database. In de cognitieve psychologie zijn schema's om de informatie verwerking te sturen. Ook wel constructs. Sommige (rudimentaire) schema's zijn mogelijk aangeboren. Algemeen wordt aangenomen dat schema's voornamelijk ontstaan als gevolg van zintuiglijke waarneming en denken. De informatieverwerking waarbij schema's betrokken zijn, wordt onder meer onderzocht door de observeerbare reacties te bestuderen die optreden na aanbieding van bepaalde informatie. Een schema is een representatie van een verzameling kennis die de informatieverwerking beïnvloedt. Schema's dienen om informatie te selecteren, te reduceren en te interpreteren. Een nadeel is echter dat eventuele vergissingen of vertekeningen die in deze processen optreden, zich tegen ons kunnen keren. In sommige gevallen ontstaan dan psychopathologische stoornissen.

schema's bij angststoornissen (schemas by anxiety disorders)

De volgende inhoudelijk schema's die in de cognitieve schema's bij angststoornissen zijn te onderscheiden:
1. bij de paniekstoornis zou een schema actief zijn waarin de lichamelijke sensaties (die onder meer bij angst optreden) worden geïnterpreteerd als signalen van een onmiddellijke catastrofe die de persoon zelf zal treffen;
2. bij sociale angst is sprake van schema's met ideeën over de negatieve beoordeling die anderen zouden geven van het gedrag van de persoon in de sociale omgang;
3. het actieve schema bij obsessief-compulsieve stoornissen wordt behalve door het overschatten van gevaar, ook gekenmerkt door een overmatige neiging om persoonlijk verantwoordelijkheid te nemen voor het afwenden van gevaar.

schema's instandhouding (schemas of preservation)

Eenmaal gevormde schema's vertonen een zekere weerstand tegen verandering, met verschillende verklaringen.
1. Motivationeel: beter een slecht schema dan geen schema. Het loslaten van een schema zou angst en onzekerheid veroorzaken door het dreigende verlies van mentale greep op de wereld.
2. Motivationeel: persoonlijk voordeel zoals de selfserving bias met sommige schema's. Zo kan de grondidee dat falen het gevolg is van de omstandigheden en niet van eigen toedoen, beschermen tegen negatieve gevoelens van eigenwaarde.
3. Schema's kunnen ook in stand blijven als zich gebeurtenissen voordoen die ermee in strijd zijn, terwijl de persoon zelf niet zo sterk in het geding is:
3.1 schema's als 'vooroordeel' selectie bias in de waarneming: informatie die niet klopt met het vooroordeel, wordt niet waargenomen, informatie die ermee overeenstemt, juist wel;
3.2 er kan sprake zijn van een bias in de interpretatie van de informatie die het vooroordeel tegenspreekt. Vooroordeel wordt bevestigd, opzij geschoven of wegverklaard. (bijvoorbeeld: een Duitser die niet autoritair is, is geen Duitser');
3.3 vooroordelen roepen verwachtingen op, waarnaar de persoon zich gaat gedragen. Iemand met een uitgesproken wantrouwen tegenover bepaalde mensen zal hun gezelschap niet snel opzoeken;
3.4 een vooroordeel vertekend de herinnering, men herinnert zich informatie die strookt met het vooroordeel, gemakkelijker dan informatie die er niet mee te rijmen valt. Mensen baseren oordelen vaak (mede) op een soort database van voorbeelden die uit het geheugen kunnen worden gegenereerd. Als een vooroordeel ertoe leidt dat deze database meer bevestigende dan tegensprekende voorbeelden bevat, ontstaat een zelfbevestigend proces (R.E. Nisbett & L. Ross, 1980).

schemadialoog (schema dialog)

Zogenaamde 'meerdere stoelen techniek'. Met behulp van deze cognitief therapeutische techniek leert de cliënt afstand te doen van gevoelens die worden uitgelokt door disfunctionele schema's. De techniek bekrachtigt tevens de gezonde aspecten in het denken van de cliënt. De therapeut moedigt de cliënt aan om een schema te confronteren met argumenten die het schema weerleggen. Tijdens deze techniek moet de cliënt telkens van stoel wisselen. Op de ene stoel 'speelt' hij de stem van het schema. In de andere stoel probeert de cliënt de stem van het schema te beantwoorden op een functionelere en gezondere manier.

schematheorie (schema theory)

Dit is een leertheorie die primair betrekking heeft op het leren van teksten. Tijdens het leren van een tekst zou er een geschematiseerde versie van de inhoud van een tekst in het geheugen worden opgeslagen. Het zich herinneren van de inhoud van een tekst zou in feite een reconstructie zijn, gebaseerd op het opgeslagen schema.

schematheorie, voor persoonlijkheidsstoornissen (schema theory, for personality disorders)

Om de behandeling van patiënten met persoonlijkheidsstoornissen mogelijk te maken, worden de volgende vijf theoretische constructen voorgesteld (J. Young, 1990) als uitbreiding van het kortetermijn cognitieve model zoals voorgesteld door A. Beck en zijn collega's (1979): vroege onaangepaste schema's (1), schemadomeinen (2), schemabevestiging (3), schemavermijding (4) en schemacompensatie (5).
1. Vroege onaangepaste schema's (VOS): ze verwijzen naar extreem stabiele en lang bestaande thema's, die zich ontwikkelen tijdens de kindertijd, die uitgebreid worden tijdens het hele leven van het individu en die in belangrijke mate disfunctioneel zijn en de volgende kenmerken hebben:
- overtuigingen en gevoelens over het zelf in relatie tot de omgeving;
- houden zichzelf in stand en zijn daarom veel resistenter tegen verandering;
- zijn per definitie disfunctioneel;
- worden gewoonlijk geactiveerd door gebeurtenissen in de omgeving die relevant zijn voor het bepaalde schema;
- leiden tot heftiger emoties wanneer ze geactiveerd worden dan onderliggende vooronderstellingen;
- lijken het resultaat te zijn van het aangeboren temperament van het kind in interactie met disfunctionele ervaringen met ouders, broertjes, zusjes en leeftijdgenootjes tijden de eerste paar jaren van het leven.
Tot nu toe zijn achttien onaangepaste schema's geïdentificeerd zoals:
1.1 Schema's verbonden met 'onverbondenheid en afwijzing':
- verlating/instabiliteit
- wantrouwen/misbruik
- emotioneel tekort/emotionele deprivatie
- defect/schaamte
- sociale isolatie/vervreemding
1.2 Schema's verbonden met 'verzwakte autonomie en verzwakte prestatie':
- afhankelijkheid/incompetentie
- kwetsbaarheid voor gevaar en ziekte
- kluwen/niet ontwikkeld zelf
- falen
1.3 Schema's verbonden met 'verzwakte grenzen':
- gerechtigd zijn/grandiositeit
- onvoldoende zelfcontrole/zelfdiscipline
1.4 Schema's verbonden met 'gerichtheid op anderen':
- onderwerping
- zelfopoffering
- goedkeuring zoeken/erkenning zoeken
1.5 Schema's verbonden met 'overmatige waakzaamheid en inhibitie':
- negativiteit/pessimisme
- emotionele remming/inhibitie
- onverbiddelijk hoge normen/overkritisch zijn
- bestrafferigheid
2. Schemadomeinen.
2.1 Onverbondenheid en afwijzing.
Verbondenheid met anderen is het gevoel dat men verbonden is met andere mensen op een stabiele, blijvende en betrouwbare manier. Een vorm van verbondenheid is bijvoorbeeld 'intimiteit': hechte emotionele banden met anderen of 'sociale integratie': het gevoel erbij te horen en te passen in een groep van collega's, vrienden en familie. Teneinde een gevoel van verbondenheid te ontwikkelen, behoeven kinderen betrouwbare liefde, empathie, een veilige omgeving, aandacht, aanmoediging en verzorging door ouders of verzorgers maar ook de sociale aanvaarding van leeftijdgenootjes. Als kinderen niet in zo'n veilige omgeving opgroeien kunnen schema's ontstaan met betrekking tot 'onverbondenheid en afwijzing' (zie 1.1).
2.2 Verzwakte autonomie en verzwakte prestatie.
Autonomie is het gevoel dat men onafhankelijk kan functioneren in de wereld, zonder voortdurende ondersteuning van anderen. Wanneer ouders er niet in slagen hun kinderen een omgeving te bieden die autonomie aanmoedigt, kunnen zich schema’s die gerelateerd zijn aan 'autonomie en presteren' ontwikkelen (zie 1.2)
2.3 Verzwakte grenzen.
Realistische grenzen verwijzen naar het vermogen zichzelf te disciplineren, zijn impulsen te beheersen en rekening te houden met de behoefte van anderen; dit alles op een aangepast niveau. Het is belangrijk voor kinderen om een gevoel voor grenzen te ontwikkelen. Dit wordt het beste bereikt in een omgeving die niet permissief is. Kinderen hebben er baat bij wanneer realistische grenzen worden gesteld aan hun gedrag, zodat ze zelfcontrole en zorg voor anderen aanleren. De schema's 1.3 kunnen in dit domein een rol spelen.
2.4 Gerichtheid op anderen.
Het is belangrijk voor een gezonde ontwikkeling dat kinderen leren om hun eigen unieke behoeften en emoties tot uitdrukking te brengen zonder al te veel angst voor represailles of schuldgevoelens.
Teneinde een gezond gevoel van innerlijk richting te ontwikkelen, behoeven kinderen ouders die hen aanmoedigen om hun eigen autonome behoeften op adequate wijze te uiten en overeenkomstig deze behoefte te handelen zonder al te veel restricties, bestraffing of onthouding van steun. Ouders die hun kinderen aanvaarden onder bepaalde voorwaarden, veroorzaken problemen in dit domein en dit kan leiden tot de schema's 1.4.
2.5 Overmatige waakzaamheid en inhibitie.
Kinderen behoeven aanmoediging om gevoelens, impulsen en keuzes spontaan tot uitdrukking te brengen. Wanneer kinderen een houding van overdreven waakzaamheid en inhibitie wordt bijgebracht, gaat dit meestal ten koste van hun levensgeluk, van hun zelfexpressie, ontspanning, plezier, intimiteit of gezondheid. Hierdoor is het mogelijk dat de schema's 1.5 ontstaan.
3. Schemabevestiging: verwijst naar processen waardoor deze vroege onaangepaste schema's worden bekrachtigd. Deze processen omvatten zowel cognitieve vervormingen als zelfondermijnende gedragspatronen en zijn verantwoordelijk voor de rigiditeit die zo kenmerkend is voor persoonlijkheidsstoornissen.
4. Schemavermijding: wanneer vroege onaangepaste schema's opgeroepen worden ervaart het individu gewoonlijk een hoog niveau van affect, zoals intense woede, angst, verdriet of schuld. Deze emotionaliteit is onaangenaam; daarom ontwikkeld het individu zowel vrijwillige als automatische processen om zowel het oproepen van het schema als de ervaring van het affect dat verbonden is met het schema, te vermijden.
5. Schemacompensatie: verwijst naar processen die de vroege onaangepaste schema's compenseren en kunnen gezien worden als gedeeltelijk succesvolle pogingen van patiënten om hun schema's uit te dagen.
(J.E. Young, H. Pijnaker, 1999).

schema, depressogeen (schema, depressogenic)

Deze schema's kenmerken zich volgen Aaron Beck door ideeën over eigen waardeloosheid en schuld, over onrechtvaardigheid en liefdeloosheid van de wereld en andere mensen, en over de hopeloosheid van de toekomst (de zogenaamde 'cognitieve triade')

self-fulfilling prophecy (~)

Self-fulfilling prophecy of ook wel het 'Pygmalion effect' genoemd is de tendens waarbij iemands verwachting specifiek gedrag uitlokt (zowel van die persoon als van anderen) dat deze verwachting bevestigt. Mensen regelen de zaken nog al eens zo dat hun eigen voorspellingen vervuld worden.
Een klassiek experiment van Rosenthal en Jacobson (1966) toont dit duidelijk aan. Kinderen van een Amerikaanse basisschool werden toevallig uitgekozen voor de proef. Alle kinderen (18 klassen; 6 graden) legden een IQ-test af bij, welke werd voorgesteld als test voor het detecteren van 'academic blooming'. Door toeval (dus niet op basis van deze test) werden 20% van de kinderen aangeduid als 'bloomers'; dit zijn kinderen die een grote intellectuele sprong zouden maken tijdens het schooljaar; 'show an unusual forward spurt of academic progress . . . within the next year or less'. Aan de leerkrachten werden de namen van deze kinderen meegedeeld. Op het einde van het schooljaar werd de test opnieuw afgenomen en constateerde men inderdaad dat de aangeduide leerlingen een grotere vooruitgang hadden gemaakt dan de andere kinderen (meer in de lagere graden dan in de hogere).
De onderzoekers schreven dit toe aan de verschillende verwachtingen die de leerkrachten vertoonden ten opzichte van deze kinderen. Kinderen uit de lagere graden hadden een kleinere 'reputatie', zodat de leerkrachten de voorspelling misschien beter geloofden. Naderhand is nogal wat kritiek gekomen op deze studie; voor een overzicht, zie Spitz (1999). Het repliceren van de studie, namelijk het verhogen van het IQ door het manipuleren van de verwachtingen van leerkrachten, bleek moeilijker 'dan verwacht'. Dat er een effect van verwachtingen is, aanvaarden de meeste onderzoekers. Dat deze verwachtingen het IQ zouden verhogen wordt echter door velen betwist.

self serving bias (~)

Zelfdienende vertekening. Sommige schema's kunnen de personen voordeel opleveren bijvoorbeeld de grondidee dat falen het gevolg is van de omstandigheden en niet van eigen toedoen, beschermen tegen negatieve gevoelens en verlies van eigenwaarde.

sensitisatie (sensitisation)

1. Herhaald gebruik van synapsen (zenuwovergangen) kan leiden tot een verandering in de synaptische efficiëntie: neemt die toe dan is er sprake van sensitisatie en kan er een onevenredig grote gevoeligheid van een betrokken zenuw ontstaan.
2. Negatieve tolerantie bij middelen (drugs of medicijnen) gebruik.
3. Ontstaan van neurotische stoornissen zoals angst en de 'overgevoeligheid' ten gevolge van conditionering in het verleden door bepaalde situaties en/of voorwerpen.
4. Sensitisatie van met name het limbisch systeem zou aan de basis liggen van somatisatie. Het idee is dat de drempel waarop bepaalde onderdelen daarvan actief worden, is verlaagd na (elektrische of chemische) stimulatie. Het gaat daarbij om een tijdelijke sensitisatie van limbische neuronen, met name die in de amygdala.

sensorische deprivatie (sensory deprivation)

Welbewust onthouden van zintuigprikkels, ook wel zintuiglijke deprivatie genoemd. Sensorische deprivatie kan de rijping van levend organisme (ernstig) kan vertragen. In een onderzoek manipuleerde men de sensorische omgeving van rattejongen door de ene groep kort na de geboorte in een 'verarmde' en de andere groep in een 'verrijkte' omgeving te plaatsen. De ratten uit de de ene groep werden ondergebracht in afzonderlijke kooitjes, met alleen een voorziening van water en voedsel. De andere ratten kwamen met zijn twaalfen terecht in een kooi die een soort rattenspeelplaats was met allerhande toestellen waarop ze konden klimmen, lopen en ravotten en die bovendien nog dagelijks werden vervangen door nieuwe speeltjes (Rozenzweig en Bennett, 1972). Na een periode van tachtig dagen werden de hersenen onderzocht,. Het bleek dat de hersenen van de ratten in een verrijkte omgeving zwaarder waren dan die van de ratten in de verarmde omgeving. Er was geen verschil in het aantal neuronen. Maar in de cortex van de ratten uit de verrijkte sensorische omgeving trof men veel meer neuronale vertakkingen en verbindingen aan. Wellicht vormt de toename in aantal en complexiteit van de verbindingen in de hersenen de biologische basis voor de latere gedragsontwikkeling (Schapiro en Vukovich, 1976).

serieel positie-effect (serial position effect)

Het primacy effect en het recentheidseffect samen.

shaping (~)

Term uit de cognitieve gedragstherapie. Het opbouwen van complex gedrag door vanaf eenvoudig gedrag in kleine leerstapjes steeds nieuwe gedragingen toe te voegen.

signaaldetectietheorie (signal detection theory)

In psychologisch onderzoek, maar ook daarbuiten, bestaat de taak vaak uit het maken van onderscheid tussen stimuli van verschillende categorieën (bijvoorbeeld oude en nieuwe items in een geheugentaak, wel of niet een woord in een lexicale decisietaak, wel of geen toon aanwezig in akoestische ruis in een detectietaak, maar ook wel of geen indicatie van een tumor op een röntgenfoto in een medische diagnose, of een gezocht vs. een niet-gezocht resultaat van een internet query algoritme). In zo'n situatie zijn de verkregen responsen veelal niet puur stimulus-gestuurd en dus een functie van het onderscheidingsvermogen ('sensitivity') van de proefpersoon, maar ook afhankelijk van antwoordtendenties ('response biases') die bepaald kunnen worden door (subjectief ervaren) relatieve frequenties van de stimuli en een subjectieve kosten-baten evaluatie van de antwoorden. Meestal gaat in een onderzoek de interesse uit naar de stimulus-gestuurde sensitivity met de response biases als storende factor waarvoor gecorrigeerd dient te worden, maar soms staan juist deze response biases centraal. In beide gevallen is het essentieel deze twee componenten van het antwoordproces uit elkaar te trekken, met als resultaat een zo zuiver mogelijke maat voor sensitivity enerzijds en response bias anderzijds. De signaaldetectietheorie biedt een algemeen theoretisch kader voor het voorgaande. (M.G.M. Koppen, 2003)

Skinner, Burrhus Frederick (~)

(1904-1990) Amerikaans psycholoog en invloedrijk voorstander van het behaviourisme, volgens wiens inzicht het menselijk gedrag het best benaderd wordt door het meten van zijn fysiologische reacties op de omgeving. Hij had een duidelijke voorkeur voor een gecontroleerde, wetenschappelijke methode en beschouwde deze als de meest belangrijke voor het bestuderen van de menselijke natuur.
Skinner kreeg interesse in de psychologie door het werk van Ivan Pavlov over geconditioneerde reflexen, de artikelen over baviourisme van Bertrand Russell, en de ideeën van John B. Watson, de stichter van het behaviorisme. Na zijn promotie in 1931 aan de Harvard Universiteit werkte hij tot 1936 als wetenschapper, en ging toen naar de faculteit van de Universiteit van Minnesota, Minneapolis, waar hij het werk "The behaviour of Organisms" (1938) schreef. Als professor aan de Indiana Universiteit, Bloomington van 1945 tot 1948, kreeg Skinner publieke belangstelling door de ontdekking van de Air-Crib, een grote geluidsdichte, bacterievrij, met lucht geventileerde doos om als mechanische couveuse te dienen, met het doel dit als een optimale omgeving dienst te laten doen voor de groei van een baby gedurende de eerste twee jaar na de geboorte. In 1948 publiceerde hij één van zijn meest controversiële werken "Walden Two", een roman over het leven van een utopische gemeenschap gemodelleerd naar zijn eigen principes van "social engineering". Als professor psychologie van 1948 tot 1974 aan de Harvard Universiteit, heeft Skinner een generatie psychologen beïnvloed. Door gebruikmaking van verschillende zelfontworpen experimentele apparaten, leerde hij laboratoriumdieren complexe en vaak uitzonderlijk acties uitvoeren. Een bekend voorbeeld zijn duiven die hij tafeltennis leerde spelen. Eén van zijn meest bekende uitvindingen is de Skinner Box, die door de farmaceutische industrie is overgenomen om diergedrag onder invloed van medicijnen te