Cognitieve Gedragstherapie voor:
• zwak zelfbeeld en negativisme
• angst, depressie en fobieën
• relatie- en werkproblemen
• persoonlijkheidsproblemen
• dwang en eetstoornissen
• stress, burnout en CVS
Informatiesite over Narcisme

CCGT

Capita selecta - januari 2011

Bowlby en Mahler: over hechting en separatie-individuatie


Bespreking van: Phyllis Tyson, Fred Pine, Harold P. Blum, Anni Bergman & Ilan Harpaz-Rotem, Susan W.Coates (2004). Journal of the American Psychoanalytic Association, 52, p. 499-603. - door Jaap Ubbels

In deze aflevering van de JAPA zijn een vijftal artikelen verschenen waarin de ontwikkelingstheorieën van Margaret Mahler en Bowlby met elkaar vergeleken worden. In de periode 1975-1985 was er voor het werk van Margaret Mahler veel belangstelling. Volgens Pine voorzagen haar op observatie gebaseerde theorieën op het gebied van separatie-individuatie destijds in een behoefte aan een begrippenkader voor het pre-oedipale aandeel van de neurose. Blum daarentegen vermeldt dat Mahler's theorieën destijds veel weerstand opriepen bij psychoanalytici die vasthielden aan de visie dat het oedipuscomplex de kern van de neurose is.

Een mooi en duidelijk voorbeeld van de klinische betekenis dat Mahler's werk destijds heeft gehad, is te vinden in het grote overzichtsartikel over de ontwikkeling van de psychoanalyse dat Niek Treurniet schreef in 1984. Uitvoerig gaat hij in op de ontwikkeling van het zelfgevoel en de worsteling met het reguleren van agressie in de separatie-individuatiefase.

Na 1985, het jaar waarin Daniël Stern zijn boek over de interpersoonlijke wereld van de baby publiceert, is de aandacht voor het werk van Mahler allengs verminderd. De laatste jaren staat Bowlby's hechtingstheorie in het centrum van de belangstelling mede omdat daarop een immense batterij van proefondervindelijk onderzoek is gebaseerd. Hechtingstheorie en separatie-individuatie theorie zijn in zekere opzichten complementair, maar ze hebben ook een heel verschillend referentiekader.

Blum vat in zijn artikel nog eens samen dat de hechtingstheorie gebaseerd is op gedragsobservaties en geen rekenschap geeft van de (onbewuste) fantasie van het kleine kind en de ouders, de betekenis van het primair proces en van het krachtenspel binnen de zich ontwikkelende persoonlijkheid. De hechtingstheorie valt niet te rijmen met een psychoanalytische ontwikkelingstheorie omdat de presymbolische interne werkmodellen van de verwachtingen van de baby niet zonder meer gegeneraliseerd en ge-extrapoleerd mogen worden naar latere ontwikkelingsfasen. Mahler heeft haar theorie over separatie-individuatie daarentegen wel binnen het psychoanalytische referentie kader van de ego-psychologie en theorie van de object-relaties ontwikkeld. Pas later verschuift het accent van Mahler's werk naar een psychoanalytisch model voor de ontwikkeling.

Zowel Bowlby als Mahler schreven weinig over affecten, terwijl tegenwoordig affecten beschouwd worden als het belangrijkste ingrediënt van de internalisatie van zelf- en object representaties. Vanuit dat gezichtspunt moet Mahler's theorie dan ook opnieuw geformuleerd worden. Wanneer er een goed affectief samenspel is tussen een moeder en haar kind, dan ontstaat er een dyadische biofeedback van affecto-motorische cognitieve signalen wat weer een positieve rol speelt bij de verinnerlijking van affectmodulatie en -regulatie. Zowel binnen een gehechtheidsrelatie als in het proces van separatie en individuatie spelen verschijnselen als basale veiligheid, het elkaar gevoelsmatig aanvoelen, de wederzijdse glimlach, spiegeling, 'holding en containing', en andere ervaringen in de object-relationele sfeer, een cruciale rol.

Coates vergelijkt de levens en de theorieën van Bowlby en Mahler. Vanuit de gedachte dat er altijd traumatische elementen in de persoonlijkheid zijn terug te vinden die de passie voor specifieke aspecten van het gevoelsleven zoniet verklaren dan toch reliëf geven, wordt allereerst een uitvoerige biografische schets van beiden gegeven. Bij Bowlby zou dat het feit kunnen zijn dat de relatie met personen aan wie hij zich in zijn jeugd hechtte bij herhaling verstoord werd. Toen hij 4 jaar oud was vertrok een Nanny die door Bowlby zelf als een 'primary caretaker' werd beschouwd. Zijn vader werd in de eerste wereldoorlog naar het front gestuurd toen Bowlby 7 jaar was en in het zelfde jaar ging hij naar kostschool.

Van Margaret Mahler wordt de versterkt ambivalente relatie met haar afstandelijke en vijandige moeder beschreven. Blum heeft uit haar eigen mond kunnen optekenen dat zij in haar latere leven deze ambivalentie nooit meer heeft kunnen doorwerken nadat haar moeder in Auschwitz bleek te zijn omgebracht.

Coates betoogt dat het te vroeg is om Bowlby en Mahler louter als historisch belangrijke theoretici te beschouwen. Hun werk is nog levend en nog van grote relevantie voor ons. Indien zij langer geleefd hadden, zouden Bowlby en Mahler misschien nu beiden aanwezig zijn geweest op een symposium gewijd aan de rol van de moeder bij de ontwikkeling van affect-regulatie.

Phyllis Tyson pakt dit thema op in haar inleiding die overigens net zo goed als een samenvatting van de andere artikelen en haar commentaar daarop kan worden gelezen. Omdat zij bij uitstek een specialist is op het gebied van de psychoanalytische theorievorming over de ontwikkeling, wekt het geen verwondering dat zij dit aspect naar voren haalt. Wanneer separatie-individuatie theorieën gebruikt worden voor de verklaring van verschijnselen bij volwassenen wordt de complexiteit van de ontwikkeling al te gemakkelijk gereduceerd. Dit probleem staat al lang bekend als de 'genetic fallacy' . Dit houdt in dat psychopathologie in het volwassen leven verklaard wordt uit gelijksoortige verschijnselen in het kinderleven zonder zich rekenschap te geven van het feit dat gelijksoortige verschijnselen in een andere ontwikkelingsfase een heel andere functie kunnen hebben. De complexiteit van de context zal verdisconteerd moeten worden in een levensvatbare psychoanalytische theorie van de ontwikkeling zodat deze een volledig uitgewerkte 'relationele dynamic systems theory' wordt.

Wanneer wij bijvoorbeeld het door Mahler gehanteerde begrip 'object-constantheid' opnieuw bekijken vanuit de huidige belangstelling voor de ontwikkeling van zelf-regulerende processen, dan blijkt het een misleidende term te zijn die verwijst naar een cruciaal element van affect-regulatie (Tyson, 1996).

Pine is eveneens wat voorzichtig in het klinische gebruik van de separatie-individuatietheorie, "de sprongen die bij interpretaties gemaakt worden zijn te groot, het verleden staat bloot aan zoveel omvormingen, en de psyche als een apparaat dat verhalen vertelt, verandert voortdurend betekenissen door deze te verschuiven, te combineren of te vermommen." Pine neemt nog eens zorgvuldig door wat Mahler nu eigenlijk bedoelde met wat zij beschreef als 'de normale autistische en symbiotische fase', Hoewel hij onderkent dat haar ideeën speculatief waren en moeten worden aangepast op grond van wat wij thans weten, wijst hij er ook op dat zij nog steeds een betekenis hebben. Mahler wou iets van de belevingswereld van heel kleine kinderen te pakken krijgen en met haar terminologie probeerde zij iets te beschrijven wat voor haar ook persoonlijk belangrijk was. "In deze fase heeft de diepste verbondenheid tussen mensen haar oorsprong. Deze verbondenheid, die nog onbelast is door het verstand of door objectiviteit, zou weleens de kern zou kunnen zijn van waaruit diepe liefde en intimiteit zich kunnen ontwikkelen." Ook een term als de 'autistische fase' is niet onredelijk wanneer je wilt aangeven dat een pasgeborene nu eenmaal meer naar binnen gericht is, en meer een puur fysiologisch wezen is. "In de vroegste periode zijn er bij de moeder en haar kind op zijn minst enkele ervaringen van ongedifferentïeerd zijn, en in sommige moeder-baby paren worden deze momenten zulke intense en met conflict beladen ervaringen dat zij levenslange consequenties voor het gevoelsleven hebben".

Het gehele proces van differentiatie, practicing, rapprochement naar object-constantheid wordt door Pine niet alleen uitvoerig, maar ook met een zekere voorzichtigheid en tentativiteit beschreven. Het rapprochement blijft van cruciale betekenis voor het begrijpen van ambivalentie-conflicten. In het rapprochement kan ook het almachtsgevoel geleidelijk gecompenseerd worden door een selectieve identificatie met een competente, tolerante en toegenegen moeder. Object-constantheid en veilige hechting zijn twee kanten van een complementaire ontwikkeling. Gedurende het proces van separatie-individuatie leert een kind ook om zich aan te passen aan te eigenaardigheden en voorkeuren van de moeder. Belangrijk is verder dat Pine nog eens verwijst naar McDevitt die in 1983 beschreef hoe het tweejaar oude kind dat op zijn initiatieven geen antwoord krijgt, in staat is om deze krenkingen vast te houden en als wrok, een beleving van mislukking of hopeloosheid 'in eigendom' te nemen. Misschien gebeurt er iets vergelijkbaars binnen het domein van differentiatie en verlies? De verschillende wijze waarop kinderen separatie en individuatie kunnen beleven zou men wellicht beter kunnen begrijpen wanneer het gevoel van verlies en de daarmee verbonden gevaren, bezien wordt vanuit de cognitieve stabiliteit waarin een klein kind zijn of haar differentiatie van de moeder beleeft en hoe sterk en specifiek dat kind aan de moeder gehecht is.

De hamvraag is echter in 1991 door Lyons-Ruth al gesteld. Is het gedrag dat Mahler als rapprochement beschrijft nu specifiek voor een ontwikkelingsfase van alle kinderen of gaat dit alleen op voor een bepaalde groep onveilig gehechte kinderen? Pine houdt er aan vast dat Mahler's researchgroep destijds een leeftijdsspecifieke hechtingsangst heeft geïdentificeerd en geen kind-specifieke zoals de hechtingsresearchers beweren. Tyson wijst er in haar commentaar terecht op dat een werkelijk wetenschappelijk bewijs alleen geleverd kan worden als separatie-individuatie concepten geoperationaliseerd worden en er een gestandaardiseerde research methode ter beschikking komt, hetgeen nu nog niet het geval is.

Anni Bergman, net als Pine een vroegere medewerker van Mahler, neemt de rapprochement-crisis door in het licht van hedendaagse theorie. Uit de infant-research heeft zij het begrippenkader van co-constructie, mismatch en repair geleend. Zij gebruikt dit om te laten zien hoe moeder en kind in de rapprochement fase met elkaar onderhandelen. Door de ontwikkeling van nieuwe verbale capaciteiten, vindt er in de peuterleeftijd een geleidelijke verschuiving plaats van vroege sensorimotorische interacties naar talige interacties. In dit proces gaan kinderen ook meer begrijpen van hun gevoelsleven. In het klinische werk is het van belang om een verband te kunnen leggen tussen de eigen ervaringen van ouders in deze periode en de wijze waarop zij met het rapprochement van hun kinderen omgaan. Bergman meent ook dat het begrijpen van deze verschijnselen behulpzaam kan zijn bij de behandeling van borderline patiënten. In een klinisch voorbeeld probeert zij te laten zien hoe het er op lijkt dat rapprochement conflicten in de overdracht opnieuw worden beleefd. Ook nu valt op hoe voorzichtig zij is: het speculatieve wordt onderkend en voor een overtuigende reconstructie moet ook de vaak onbewuste betrokkenheid van de analyticus in de enactment goed onderzocht worden.

Concluderend wordt in deze artikelen duidelijk dat het werk van Mahler nog steeds belangrijk is als een klinische theorie. Deze klinische betekenis is destijds uitvoerig beschreven, bijvoorbeeld door Treurniet, (1984). Wat dat betreft zal men niet veel nieuws aantreffen. Over de klinische waarde van een psychoanalytische ontwikkelingstheorie schrijft Pine dat deze gelegen is in haar bruikbaarheid om het klinische denken te organiseren en te differentiëren. Maar deze bruikbaarheid betekent niet dat deze theorieën over de ontwikkeling daarmee ook bevestigd zijn. Integendeel, in dat opzicht behoeft het werk van Mahler een grondige revisie.

Literatuur

* Bron: Nederlands Psychoanalytisch Instituut - Amsterdam - NPI Artikel link: Artikel