Cognitieve Gedragstherapie voor:
• zwak zelfbeeld en negativisme
• angst, depressie en fobieën
• relatie- en werkproblemen
• persoonlijkheidsproblemen
• dwang en eetstoornissen
• stress, burnout en CVS
Informatiesite over Narcisme

CCGT

Capita selecta - april 2007

Cognitieve Therapie bij Angststoornissen: Huidige Stand van Zaken en Nieuwe Richtingen

door Amy Wenzel, Ph.D.


Copyright © Beck Institute for Cognitive Therapy and Research
CCGT
Cognitieve therapie (CT) en cognitieve gedragstherapie (CGT) zijn psychologische interventies voor angststoornissen die het meest wetenschappelijk onderzocht zijn (Barlow, 2002). Het is algemeen bekend dat CT en CGT effectief zijn voor het verminderen van angstsymptomen zoals beschreven in het DSM-IV onderdeel angststoornissen (bijvoorbeeld Chambless & Gillis, 1993).
Ofschoon CT en CGT behandelingen in verschillende mate bij angst de nadruk leggen op specifieke cognitieve en gedragstechnieken, komen de structuur en procedures sterk overeen, en beide benaderingen veroorzaken aanmerkelijke vermindering van psychiatrische symptomen, het verminderen van het vermijden van angstige stimuli, en het optreden van disfunctionele cognities (Deacon & Abramowitz, 2004). Hierna volgt een overzicht van de huidige stand van zaken van het CT/CGT onderzoek voor elk van de belangrijkste angststoornissen en er wordt aandacht besteed aan nieuwe vorderingen op dit gebied.

Paniekstoornis

De paniekstoornis is waarschijnlijk een stoornis waar in het verleden het meeste werk is verricht om CT en CGT te onderscheiden. De meeste studies onderzoeken cognitieve therapeutische benaderingen van de paniekstoornis waarbij sprake is van zowel een cognitieve als een gedragsmatige aanpak (Deacon & Abramowitz, 2004), en meta-analyses wijzen erop dat deze behandelingen effectiever zijn bij het verminderen van angstsymptomen dan behandelingen met medicijnen (Gould, Otto, & Pollack, 1995).
CGT behandelingen bestaan standaard uit vier componenten: (a) psycho-educatie, (b) cognitieve herstructureringtechnieken om misinterpretaties van lichamelijk sensaties te veranderen, (c) angstmanagement technieken zoals spierontspanning en verbetering van de ademhaling en (d) blootstelling aan lichamelijke sensaties (interoceptieve exposure) of aan externe angstige situaties (in vivo exposure) (zie Craske & Barlow, 2001).

Klinische wetenschappers die de effectiviteit van focused CT (d.w.z., therapie die speciaal gericht is op het wijzigen van de misinterpretaties die samenhangen met de oorzaak van deze panieksymptomen) zijn opmerkelijk succesvol geweest in het verminderen van panieksymptomen (bijvoorbeeld Beck, Sokol, Clark, Berchick, & Wright, 1992; Salkovskis, Clark, & Hackman, 1991). Echter de mate waarin focused CT verschilt met een CGT behandeling is twijfelachtig, omdat het vaak een vereiste is paniekachtige symptomen op te roepen bij de behandeling om met een patiënt gedachten met een noodlottige dreiging te onderkennen.
Brown, Beck, Newman, Beck en Tran (1997) vonden dat standaard CT, waarbij de nadruk wordt gelegd op cognitief herstructureren om de angstgerelateerde cognities te wijzigen, even effectief als focused CT bij het verlagen van de frequentie van paniekaanvallen, waardoor men zich kan afvragen of blootstelling aan angstsensaties noodzakelijk is om therapie succesvol te laten zijn.
Onlangs constateerde Arntz (2002) dat CT en interoceptieve exposure even effectief zijn bij het verminderen van panieksymptomen, maar dat patiënten meer tevreden waren over de CT benadering.

Sociale Fobie

CT en CGT bij sociale fobie helpt patiënten bij het uitvoeren en onderkennen van slecht aangepaste (disfunctionele) gedachten over de inschatting en consequenties van negatieve evaluaties, hun eigen wenselijkheid, en de mate waarin andere hard en veroordelend reageren.
Het merendeel van de meta-analyses of psychosociale behandelingen bij sociale fobie veronderstellen dat een combinatie van cognitieve en gedragstechnieken (versus uitsluitend cognitieve of gedragstechnieken) het meest effectief zijn voor het verminderen van de angstsymptomen (bijvoorbeeld Gould, Buckminster, Pollack, Otto & Yap, 1997; Taylor, 1996). Deze behandelingen bestaan uit cognitieve herstructurering, exposure (in vivo of imaginatie), en soms uitgebreid met sociale vaardigheidstraining (Deacon & Abramowitz, 2004).
Het protocol van Heimberg is waarschijnlijk de meest grondig onderzochte CT of CGT interventie bij sociale fobie (Heimberg, Dodge, Hope, Kennedy, Zollo, & Becker, 1990), en hierbij wordt uitgegaan van het werken in groepen zodat patiënten de kans krijgen ervaring op te doen en hun gedachten te toetsen. In recent onderzoek zijn de factoren onderzocht die samenhangen met een succesvolle behandeling, zoals de bereidwilligheid in het doen van huiswerkopdrachten (Leung & Heimberg, 1996) en de verwachting die men heeft over het behandelingsresultaat (Chambless, Tran, & Glass, 1997).
In hun meervoudige (multisite trial) vergelijkingsgroepen met CGT en fenelzine (MAO remmer), vonden Heimberg e.a. (1998) dat fenelzine sneller werkt dan CGT maar dat bij CGT een opvallend lagere terugval was te zien (Liebowitz e.a., 1999). Heimberg (2002) stelde dat er duidelijk behoefte is om in de toekomst een empirisch onderzoek te doen naar de combinatie van CGT en farmacotherapie, om na te gaan of er optimale benadering mogelijk is om deze interventies te starten en elkaar te laten opvolgen.

Gegeneraliseerde Angststoornis

Uit meta-analytisch onderzoek blijkt dat een combinatie van cognitieve en gedragstechnieken (versus alleen cognitieve of gedragstechnieken) het meest effectief is voor het verminderen van gegeneraliseerde angstsymptomen (bijvoorbeeld Gould, Otto, Pollack, & Yap, 1997).
Een stimulerende nieuwe ontwikkeling bij CT/CGT voor GAS is de uitbreiding naar de behandeling van oudere volwassenen (Stanley & Novy, 2000). Recent vonden Stanley e.a. (2003) dat CGT effectiever is bij het verminderen van zich zorgen maken, depressieve stemmingen en angst, en in het verbeteren van de kwaliteit van leven dan een minimale contactmeting bij oudere volwassenen met GAS, ofschoon slechts 45% van de patiënten die CGT ontvingen bekend waren als behandelingsrespondenten.
Barrowclough, King, Colville, Russell, Burns, en Tarrier (2001) vonden dat CGT behandelingen gegeven aan oudere volwassenen (met GAS) bij hun thuis, resulteerde in een duidelijke vermindering van angst en depressieve symptomen, in vergelijking met een behandeling als counseling. We kunnen dus stellen dat bij het onderzoek van CT/CGT voor GAS er een verschuiving is te zien voor de effectiviteit naar specifieke demografische eigenschappen, en door de behandeling op een meer creatieve manier te doen.

Obsessief Compulsieve Stoornis

Ofschoon exposure en responspreventie (ERP; Meyer, 1966) gezien worden als de gouden standaard bij de behandeling van de obsessief compulsieve stoornis (OCS), later empirisch onderzoek (Emmelkamp, Visser, & Hoekstra, 1988) werd hier ook de effectiviteit van cognitieve benaderingen voor deze stoornis aangetoond.
In hun recente meta-analyse, Abramowitz, Foa, en Franklin (2002) rapporteerden dat ERP en CT soortgelijke effecten geven bij symptoomvermindering. Deacon en Abramowitz (2004) constateerden dat CT bij OCS behandeling dikwijls gedragsexperimenten noodzakelijk maken, met blootstelling aan de gevreesde stimuli, soortgelijk als de activiteiten die optreden bij ERP. We kunnen dus stellen dat CT en ERP veel overeenkomsten hebben en waarschijnlijk werkzaam met overeenkomstige verandermechanismen.

Posttraumatische Stress Stoornis

Volgens Deacon en Abramowitz (2004), is de meest empirisch ondersteunde behandeling voor posttraumatische stress stoornis (PTSS) een behandeling met cognitieve en gedragstechnieken, inclusief imaginaire exposure, cognitieve herstructurering en het leren van angstmanagement vaardigheden. De effectiviteit van CGT voor PTSS is vastgesteld bij verschillende speciale bevolkingsgroepen, zoals Cambodjaanse vluchtelingen (Otto e.a., 2003), en voor vele verschillende soorten van trauma's, zoals trauma's veroorzaakt bij auto-ongelukken (Blanchard e.a., 2003).

Conclusies

Het resultaatonderzoek over de effectiviteit van CT/CGT bij angststoornissen is enorm toegenomen de laatste 20 jaar en heeft het overtuigend bewijs geleverd dat deze behandelbenadering aanmerkelijke veranderingen te weeg kunnen brengen bij patiënten met angststoornissen. Het huidig onderzoek dat wordt gedaan is het verder in kaart brengen en isoleren van de mechanismen die de veranderingen bij patiënten met angststoornissen door CT/CGT teweegbrengen (bijvoorbeeld Hofmann, 2004), als het onderzoeken naar het creatieve gebruik van technische hulpmiddelen bij het toepassen van cognitieve en gedragsinterventies zoals het gebruik van notebooks (Newman, 1999) en Virtual Reality (Rothbaum, Hodges, & Smith, 1999).
Daarnaast passen klinische wetenschappers informatie procestaken toe zoals de Emotionele Stroop Taak, voor het opnieuw aanleren van emotionele aandacht en het verminderen van angstreacties op gevreesde stimuli (bijvoorbeeld Masia, McNeil, Cohn, & Hope, 1999).
Bijgevolg is er een toegenomen samengaan van experimentele psychopathologie en resultaatonderzoek, wat kan zorgen voor een empirische basis voor het verbeteren van cognitieve en gedragstechnieken om beter aan de behoefte van individuele patiënten te voldoen en het werken met patiënten die geen verbetering hebben ervaren met standaard therapeutische benaderingen.
* Bron: Beck Institute for Cognitive Therapy and Research - Cognitive Therapy Today - Fall 2006

Literatuur